De huurders hebben sinds 28 juli 2020 een woning gehuurd van de verhuurder. Er is een huurachterstand ontstaan van €2.737,43 per 1 juli 2024. De verhuurder vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning, naast betaling van huurachterstand, rente en incassokosten. De huurders erkennen de achterstand en geven aan dat zij met hulpverlening hun financiële situatie stabiliseren en inmiddels weer inkomen hebben.
De kantonrechter oordeelt dat het beding over buitengerechtelijke incassokosten onredelijk bezwarend is en vernietigt dit, waardoor de verhuurder geen incassokosten kan vorderen. Ondanks de huurachterstand weegt het belang van de huurders, die met hun minderjarige dochter in de woning wonen en geen alternatieve woonruimte hebben, zwaarder dan het belang van de verhuurder. De achterstand is bovendien niet onoverkomelijk.
Daarom wijst de kantonrechter de vordering tot ontbinding en ontruiming af. Wel worden de huurders hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de huurachterstand, wettelijke rente en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.