De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 27 augustus 2024 de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van zware mishandeling van haar toen driejarige zoon. De mishandeling bestond uit het verhitten van een lepel en deze meerdere malen tegen de billen en het been van het kind drukken, waardoor het kind brandwonden opliep.
De verdediging voerde aan dat het bewijs onvoldoende was en dat het letsel ook door een val op een gasstel kon zijn ontstaan. De rechtbank oordeelde echter dat de verklaring van verdachte niet geloofwaardig was vanwege inconsistenties en dat het NFI-rapport de verklaring van de aangever ondersteunde. Het letsel werd als zwaar lichamelijk letsel aangemerkt vanwege de aard, pijn en blijvende littekens.
De rechtbank achtte bewezen dat verdachte met voorwaardelijk opzet het letsel heeft toegebracht. De verdediging verzocht nog om het horen van de aangever als getuige, maar dit verzoek werd afgewezen wegens onvindbaarheid en late indiening.
De rechtbank veroordeelde verdachte tot een taakstraf van 120 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand met een proeftijd van twee jaar. De straf is hoger dan gevorderd vanwege de ernst van het feit en de impact op het kind. Verdachte werd vrijgesproken van overige tenlastegelegde feiten.