Uitspraak
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 2 september 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De zaak betreft een executiegeschil over de ontruiming van een woning die door [plaats 2] aan [eiser] is verhuurd. De huurovereenkomst is rechtsgeldig opgezegd en de huurder is bij verstek veroordeeld tot ontruiming. Tegen dit verstekvonnis is verzet ingesteld. De ontruiming stond gepland op 3 september 2024.
De huurder vordert schorsing van de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis op grond van zijn psychische gesteldheid, het ontbreken van een vast inkomen en het belang van behoud van woonruimte in verband met een geplande medische ingreep. De verhuurder betwist het belang van de huurder en wijst op eigen dringend gebruik van de woning en de dreiging van ontruiming door de hypotheekhouder.
De kantonrechter oordeelt dat het belang van de huurder bij behoud van de woning zwaarder weegt dan het belang van de verhuurder bij onmiddellijke ontruiming. De hypotheekhouder heeft nog geen ontruiming uitgevoerd en de verhuurder heeft onvoldoende onderbouwd dat de ontruiming noodzakelijk is. De schorsing wordt toegewezen met een dwangsom bij niet-naleving en proceskostenveroordeling. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De ontruiming van de woning wordt geschorst tot de uitspraak in de verzetprocedure wegens het zwaardere belang van de huurder.