De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 27 augustus 2024 de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van drie woninginbraken en autodiefstal. De officier van justitie baseerde zich op aangiftes, locatiegegevens van een voertuig, telefoon- en tapgegevens en modus operandi om de betrokkenheid van verdachte te onderbouwen.
De verdediging betoogde dat het bewijs onvoldoende was, met name door het ontbreken van concrete sporen en het feit dat schoenafdrukken niet overtuigend aan verdachte konden worden toegeschreven. De rechtbank concludeerde dat het bewijs onvoldoende was om wettig en overtuigend vast te stellen dat verdachte de feiten had gepleegd.
Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten. Tevens werd het beslag op een geldbedrag van € 500,- aan verdachte teruggegeven. De benadeelde partijen werden niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen en veroordeeld in de kosten van verdachte.