ECLI:NL:RBZWB:2024:6278
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning en handhaving aanslag onroerendezaakbelasting
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €259.000 per 1 januari 2022. De rechtbank beoordeelde of deze waarde te hoog was vastgesteld en of er sprake was van een schending van artikel 40 van Pro de Wet WOZ.
De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een waarderapport waarin vergelijkingsobjecten werden gebruikt, waarbij rekening was gehouden met verschillen in onderhoud en voorzieningen. Belanghebbende betwistte de mate van correctie voor gedateerde voorzieningen, maar erkende de vergelijkbaarheid van de referentiewoningen.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld. Ook was geen sprake van schending van artikel 40 Wet Pro WOZ, omdat belanghebbende alle gevraagde gegevens had ontvangen. Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de WOZ-waarde en de aanslag OZB gehandhaafd blijven.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde en aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en gehandhaafd.