ECLI:NL:RBZWB:2024:6311

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 september 2024
Publicatiedatum
12 september 2024
Zaaknummer
02-821208-18
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15c lid 4 Wetboek van Strafrecht (oud)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke herroeping van voorwaardelijke invrijheidstelling wegens overtreding voorwaarden

Betrokkene is bij onherroepelijk vonnis veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf voor poging tot doodslag, waarbij zijn voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.) volledig werd herroepen. Het openbaar ministerie vorderde volledige herroeping van de v.i. wegens overtreding van bijzondere voorwaarden zoals een contactverbod, meldplicht, drugsverbod, ambulante behandelverplichting en deelname aan gedragsinterventies.

Tijdens de zitting van 5 september 2024 werd vastgesteld dat betrokkene herhaaldelijk weigerde mee te werken aan verdiepingsdiagnostiek, waardoor noodzakelijke interventies zoals de CoVa-training en delictanalyse niet konden plaatsvinden. Zowel de reclassering als de directeur van de PI adviseerden tot herroeping van de v.i. vanwege het gebrek aan medewerking.

De rechtbank oordeelt dat de bijzondere voorwaarden ook tijdens de schorsing van de proeftijd gelden en dat betrokkene deze heeft overtreden. Hoewel de vordering tot volledige herroeping in beginsel toewijsbaar is, krijgt betrokkene een laatste kans om alsnog mee te werken. Daarom wordt de herroeping slechts gedeeltelijk toegewezen voor een periode van 180 dagen, waarna betrokkene zijn houding moet verbeteren.

Uitkomst: De voorwaardelijke invrijheidstelling wordt gedeeltelijk herroepen voor 180 dagen wegens overtreding van bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02/821208-18
v.i.-zaaknummer: 99/000611-28
beslissing op de vordering tot herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: v.i.)
in de zaak van de officier van justitie tegen:
[betrokkene] (hierna: betrokkene),
geboren op [geboortedag] 1995 te [geboorteplaats] ,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting (hierna: PI) Dordrecht,
raadsman mr. J.A.R. van de Velde, advocaat te Eindhoven.

1.De voorgeschiedenis

Bij onherroepelijk vonnis van de meervoudige kamer d.d. 20 november 2019 onder het hierboven genoemde parketnummer is betrokkene veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaren met aftrek van voorarrest voor een poging tot doodslag gepleegd op 24 november 2018 te Breda. Deze veroordeling vond plaats tijdens een lopend v.i.-toezicht van betrokkene, waardoor die v.i. bij dat vonnis volledig is herroepen.
Bij beslissing van de politierechter van 12 januari 2023 is de vordering tot uitstel van de v.i. van betrokkene afgewezen. Het openbaar ministerie heeft op 20 januari 2023 een v.i.-besluit opgesteld met daarin – kort weergegeven – de volgende bijzondere voorwaarden:
  • een contactverbod;
  • een meldplicht bij de reclassering;
  • een drugs- en alcoholverbod;
  • een ambulante behandelverplichting (meewerken aan verdiepingsdiagnostiek en daaruit voortvloeiende interventies. De verdiepingsdiagnostiek dient tijdens detentie plaats te vinden en de interventies dienen tijdens detentie te starten);
  • deelnemen aan de gedragsinterventie cognitieve vaardigheden (CoVa);
  • andere voorwaarden betreffende het gedrag:
  • betrokkene toont een open, gemotiveerde en meewerkende houding met betrekking tot (de voorbereiding van) het toezicht en de uitvoering van de bijzondere voorwaarden;
  • betrokkene toont openheid van zaken ten aanzien van zijn financiële studie.
De huidige einddatum van detentie is vastgesteld op 19 september 2024.

2.De procesgang

De officier van justitie heeft een vordering ingediend tot gehele herroeping van de v.i. (730 dagen), omdat betrokkene de bijzondere voorwaarden heeft overtreden.
Het dossier bevat de volgende stukken:
- de vordering van de officier van justitie van 19 augustus 2024
- het advies van de reclassering van 14 augustus 2024;
- het advies van de directeur van de PI van 26 juli 2024;
- alle overige stukken.
Het onderzoek is gehouden op de openbare zitting van 5 september 2024. De officier van justitie, mr. G. Smid, is gehoord. Betrokkene en zijn advocaat zijn ter zitting verschenen.
Namens Reclassering Nederland is niemand verschenen.

3.Het advies van de reclassering en het advies van de directeur van de PI

Uit het rapport van de reclassering komt het volgende naar voren. Betrokkene heeft tijdens detentie herhaaldelijk geweigerd zijn medewerking te verlenen aan verdiepingsdiagnostiek. Omdat verdiepingsdiagnostiek niet heeft plaatsgevonden, kon de CoVa-training niet van start gaan. Ook een delictanalyse heeft niet kunnen plaatsvinden, omdat betrokkene heeft geweigerd met de inrichtingspsychologen in gesprek te gaan. De inrichtingspsychologen hebben hiertoe meerdere pogingen gedaan. De reclassering heeft hierdoor onvoldoende zicht gekregen op de benodigde interventies om de kans op recidive te beperken. De reclassering heeft daarom geadviseerd tot afstel (de rechtbank begrijpt: herroeping) van de v.i.
Ook blijkt uit het advies van de directeur van de PI dat tussen betrokkene en de reclassering, zijn mentor en/of casemanager meerdere gesprekken hebben plaatsgevonden. Deze gesprekken hadden als doel om betrokkene van gedachten te laten veranderen om alsnog medewerking aan verdiepingsdiagnostiek te verlenen. Betrokkene bleef echter bij zijn standpunt en weigerde in gesprek te gaan met een gedragsdeskundige. Risicotaxatie en gedragsdeskundig onderzoek is volgens de directeur van de PI noodzakelijk om de haalbaarheid van interventies in te kunnen schatten. De directeur van de PI heeft, gelet op het bovenstaande, ook geadviseerd tot afstel (de rechtbank begrijpt ook hier: herroeping) van de v.i.

4.Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft primair gevorderd dat de v.i. geheel, voor een periode van 730 dagen, wordt herroepen. Bij betrokkene had duidelijk moeten zijn dat er werd toegewerkt naar een v.i. en dat daar voorwaarden aan waren gekoppeld. Er is herhaaldelijk niet meegewerkt aan de bijzondere voorwaarden die een v.i. mogelijk maken.
Subsidiair wordt gevorderd de beslissing uit te stellen zodat de deskundige alsnog ter zitting kan verschijnen.

5.Het standpunt van de verdediging

Betrokkene heeft ter zitting verklaard dat het klopt dat geen verdiepingsdiagnostiek, risicotaxatie en CoVa-training hebben plaatsgevonden. De casemanager van de DJI en de reclasseringswerker zouden tegenstrijdige signalen hebben afgegeven over het deelnemen aan verdiepingsdiagnostiek, een risicotaxatie en de CoVa-training.
De raadsman heeft betoogd de vordering tot herroeping v.i. af te wijzen. Betrokkene heeft inderdaad niet meegewerkt aan verdiepingsdiagnostiek omdat hij geen perspectief zag voor zichzelf. Nu heeft hij aangegeven wel mee te willen werken aan een delictanalyse en risicotaxatie. Hij is bereid en in staat mee te werken aan alle voorwaarden die in het kader van de v.i. worden gesteld, ook aan verdiepingsdiagnostiek. Bij herroeping komt betrokkene na twee jaar zonder enige vorm van detentiefasering en begeleiding op straat. Dit is voor zowel betrokkene zelf als de maatschappij onwenselijk.

6.Het oordeel van de rechtbank

Het openbaar ministerie is ontvankelijk in zijn vordering, nu de vordering op 19 augustus 2024 is ontvangen en de grond bevat waarop zij berust.
Allereerst dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of sprake kan zijn van overtreding van bijzondere voorwaarden, nu de aan de v.i. verbonden proeftijd niet liep. Omdat betrokkene uit anderen hoofde gedetineerd was, was de proeftijd immers, gelet op het bepaalde in artikel 15c, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht (oud), van rechtswege geschorst. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Van een overtreding van de bijzondere voorwaarden kan onder meer sprake zijn als betrokkene zich al vóór aanvang van de proeftijd van niet-naleving van (één van) deze voorwaarden schuldig maakt en dit geldt dus temeer indien dit gedrag zich voordoet gedurende een schorsing van een (reeds aangevangen) proeftijd. Hierbij is van belang dat voornoemde voorwaarden bestemd zijn – en ook als zodanig zijn geformuleerd - om te gelden in de laatste detentiefase, die erop is gericht betrokkene te laten resocialiseren in de samenleving. Dit zou doorkruist worden indien de voorwaarden niet zouden gelden vanwege een schorsing van de proeftijd.
De rechtbank stelt vast dat betrokkene niet heeft meegewerkt aan verdiepingsdiagnostiek, waardoor het ook niet mogelijk was om aan de CoVa-training deel te nemen. Evenmin is een delictanalyse en risicotaxatie uitgevoerd. Betrokkene heeft zijn medewerking meermalen geweigerd en van tegenstrijdige signalen vanuit de casemanager en de reclassering is niet gebleken. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat betrokkene de bijzondere voorwaarden ‘ambulante behandelverplichting’ en ‘gedragsinterventie CoVa’ heeft overtreden. Ook heeft betrokkene geen open, gemotiveerde en meewerkende houding met betrekking tot de uitvoering van deze voorwaarden getoond. De vordering dient daarom in beginsel volledig te worden toegewezen.
De rechtbank is echter van oordeel dat betrokkene een laatste kans moet worden geboden om terug te komen op zijn weigerachtige houding. Daarbij benadrukt de rechtbank dus dat betrokkene een open, gemotiveerde en meewerkende houding richting de medewerkers van de DJI en de reclassering dient te tonen en mee dient te werken aan de noodzakelijke verdiepingsdiagnostiek. De rechtbank zal de vordering tot herroeping van de v.i. daarom gedeeltelijk toewijzen, te weten voor een periode van 180 dagen.

7.De beslissing.

De rechtbank:
- wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling gedeeltelijk toe;
- herroept de voorwaardelijke invrijheidstelling geheel voor een periode van 180 dagen en gelast dat dit deel van de vrijheidsstraf alsnog ten uitvoer wordt gelegd;
- wijst de vordering voor het overige af.
Deze beslissing is gegeven door mr. D.L.J. Martens, voorzitter, mr. M. van de Wetering en mr. E.A. van Beelen, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. D.W. Schalk en is uitgesproken ter openbare zitting op 12 september 2024.