ECLI:NL:RBZWB:2024:6312

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 september 2024
Publicatiedatum
12 september 2024
Zaaknummer
24-009035
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 534 lid 1 SvArt. 9a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot vergoeding kosten rechtsbijstand na sepot verkeersongeval

Verzoeker diende een verzoek in op grond van artikel 530 Sv Pro tot vergoeding van kosten rechtsbijstand en een forfaitaire vergoeding na een sepotbeslissing van het Openbaar Ministerie. Het sepot volgde op een verkeersongeval waarbij verzoeker betrokken was en waarbij hij werd verdacht van een verkeersfout. De rechtbank beoordeelde dat de zaak zonder strafoplegging eindigde en dat de rechtbank bevoegd was het verzoek te behandelen.

De rechtbank nam alle omstandigheden in aanmerking, waaronder de verklaring van verzoeker en de melding van het verkeersongeval. Verzoeker had verklaard groen licht te hebben gekregen, maar de rechtbank vond dat de verdenking en de gemaakte kosten aan verzoeker zelf te wijten waren. De aanwezigheid van een laagstaande zon werd niet als verzachtende omstandigheid gezien, maar juist als reden om extra voorzichtigheid te betrachten.

Op grond hiervan wees de rechtbank het verzoek tot vergoeding van de kosten rechtsbijstand en de forfaitaire vergoeding af. De beslissing werd genomen door rechter R.J.H. de Brouwer op 10 september 2024 en is openbaar uitgesproken. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open.

Uitkomst: Het verzoek tot vergoeding van kosten rechtsbijstand en forfaitaire vergoeding wordt afgewezen omdat de verdenking en kosten aan verzoeker zelf te wijten zijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Locatie Breda
parketnummer: 02/075699-23
rk-nummer: 24-009035
Beslissing op het verzoek ex artikel 530 Sv Pro van:
[verzoeker]wonende te [woonadres],
woonplaats kiezende ten kantore van mr. T. van Riel, Nieuwe Boschstraat 51, 4811 CV Breda

1.De procedure

De procedure blijkt uit de volgende stukken:
 het op 9 april 2024 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding
ex artikel 530 van Pro het Wetboek van strafvordering(Sv) ten laste van de Staat voor een bedrag van:
  • € 894,23, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;
  • € 340,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
  • de kennisgeving sepot van 2 april 2024;
  • de overige stukken in het raadkamerdossier.
Op 27 augustus 2024 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie, verzoeker en mr. T. van Riel als gemachtigd advocaat van verzoeker gehoord.
Namens verzoeker wordt aangevoerd dat verzoeker op 2 april 2024 een sepotbeslissing van de officier van justitie heeft mogen ontvangen inhoudende de beslissing om verzoeker niet verder strafrechtelijk te vervolgen. Verzoeker heeft de nodige kosten van rechtsbijstand ter hoogte van € 894,23 gemaakt aangaande deze strafrechtelijke vervolging. Daarnaast vraagt verzoeker de forfaitaire vergoeding aangaande het opstellen, indienen en behandelen van onderhavig verzoekschrift in raadkamer ter hoogte van € 680,00 met het verzoek deze kosten ten laste van 's Rijks kas te vergoeden.
De officier van justitie heeft zich in raadkamer op het standpunt gesteld dat het verzoekschrift afgewezen dient te worden. De officier van justitie is van mening dat er sprake was van een strafrechtelijk te bewijzen zaak en dat de persoonlijke omstandigheden van verzoeker ertoe hebben geleid dat ervoor is gekozen om verzoeker niet verder strafrechtelijke te vervolgen. Onder die omstandigheden vindt de officier van justitie het niet billijk de door verzoeker gemaakte kosten van rechtsbijstand te vergoeden.

2.De beoordeling

De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank zou worden vervolgd.
Op grond van artikel 530 Sv Pro kan aan een gewezen verdachte een vergoeding voor de kosten van een raadsman worden toegekend, tenzij de raadsman was toegevoegd.
Artikel 534 lid 1 Sv Pro bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen.
Het Openbaar Ministerie is op 2 april 2024 overgegaan tot een beleidssepot vanwege gewijzigde omstandigheden. In zo’n geval kunnen gronden van billijkheid voor toekenning van een vergoeding ontbreken als verzoeker de kosten aan zichzelf te wijten had.
De rechtbank maakt uit het raadkamerdossier op dat er op 21 september 2022 een melding kwam van een verkeersongeval waarbij verzoeker betrokken was. Verzoeker heeft bij de politie verklaard dat hij groen licht kreeg en op trok. De auto's voor hem waren van links gekomen en hadden al snelheid. Zij reden allen op dezelfde weg toen de auto voor verzoeker plots stil stond. Verzoeker kon niet meer op tijd remmen en botste tegen de auto voor hem, waardoor hij die auto tegen nog een auto duwde. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat verzoeker de verdenking en de kosten van rechtsbijstand aan zichzelf te wijten heeft. Dat er sprake was van een laagstaande zon volgens verzoeker maakt dit niet anders. Het vormt juist een reden om extra voorzichtig te zijn en voldoende afstand te houden. De rechtbank zal het verzochte bedrag aan kosten rechtsbijstand dan ook afwijzen. De rechtbank wijst om die reden ook het verzoek tot het toekennen van een forfaitaire vergoeding voor het indienen van het verzoekschrift en de behandeling in raadkamer af.

3.De beslissing

De rechtbank wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding af.
Deze beslissing is op 10 september 2024 genomen door mr. R.J.H. de Brouwer, rechter, in tegenwoordigheid van J. van ‘t Westende, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 10 september 2024.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.