ECLI:NL:RBZWB:2024:6332
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen WOZ-waarde bedrijfswoning uit 1920
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn vrijstaande bedrijfswoning uit 1920, met een oppervlakte van 107 m² en een perceel van 800 m², vastgesteld op €264.000 per 1 januari 2022. Hij stelde dat de waarde maximaal €205.000 zou moeten zijn. De heffingsambtenaar handhaafde de waarde en onderbouwde deze met een taxatierapport dat een hogere waarde van €310.000 berekende op basis van vergelijkingsmethoden.
De rechtbank beoordeelde de vergelijkbaarheid van de referentiewoningen, gelegen in nabijgelegen dorpen, en concludeerde dat deze voldoende vergelijkbaar waren. De heffingsambtenaar had bovendien voldoende rekening gehouden met verschillen zoals ligging, onderhoud en bestemming. De bedrijfsbestemming werd door de rechtbank niet als zodanig erkend, omdat het bestemmingsplan een gemengde woonfunctie met kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten toestaat.
Ook de gebreken zoals scheurvorming en lekkages werden adequaat meegenomen in de waardering. Gezien deze omstandigheden en het feit dat de taxatiewaarde hoger was dan de vastgestelde WOZ-waarde, oordeelde de rechtbank dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aanslag OZB bleef gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde van €264.000 wordt ongegrond verklaard en de aanslag OZB gehandhaafd.