ECLI:NL:RBZWB:2024:6439
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning en proceskostenvergoeding na bezwaar
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €258.000 per 1 januari 2022. Tevens werd bezwaar gemaakt tegen het niet verstrekken van bepaalde gegevens waarop de waardebepaling was gebaseerd, met een beroep op artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende gegevens had verstrekt, waaronder taxatierapporten en een taxatiematrix met vergelijkingsobjecten die qua ligging, bouwjaar en oppervlakte voldoende vergelijkbaar waren. Eventuele ontbrekende gegevens werden in de beroepsfase alsnog verstrekt, waardoor belanghebbende niet benadeeld was.
De waarde van de woning was vastgesteld met de vergelijkingsmethode, waarbij rekening was gehouden met verschillen in perceelgrootte, bijgebouwen en onderhoudsstaat. De rechtbank vond dat de heffingsambtenaar zijn bewijslast had voldaan en dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, de vastgestelde WOZ-waarde bleef gehandhaafd en belanghebbende kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak werd gedaan door rechter M.L. Weerkamp op 18 september 2024.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en proceskostenvergoeding wordt afgewezen.