ECLI:NL:RBZWB:2024:6446
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning en proceskostenvergoeding na bezwaar
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn woning, vastgesteld op €456.000 per 1 januari 2022, en tegen het niet verstrekken van bepaalde gegevens die ten grondslag liggen aan deze waardebepaling. De rechtbank beoordeelde of de waarde te hoog was vastgesteld en of artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ was geschonden.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar de WOZ-waarde op juiste wijze had vastgesteld aan de hand van een taxatiematrix en vergelijkingsmethode met referentiewoningen. De gebruikte referentiewoningen waren voldoende vergelijkbaar en de verschillen waren adequaat verwerkt in de waardebepaling. De waarde van de woning werd niet te hoog geacht.
Verder stelde de rechtbank vast dat, ook indien artikel 40 Wet Pro WOZ zou zijn geschonden door het niet tijdig verstrekken van bepaalde gegevens, belanghebbende daardoor niet benadeeld was. De heffingsambtenaar had in de beroepsfase alsnog de benodigde gegevens verstrekt. Daarom was er geen aanleiding tot vergoeding van proceskosten.
Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de WOZ-waarde en de daarbij behorende aanslagen gehandhaafd blijven. Belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde is ongegrond verklaard en er is geen proceskostenvergoeding toegekend.