Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Breda om haar aanvraag voor opritten bij de berging in de achtertuin af te wijzen, terwijl zij wel traplift en opritten bij de voor- en achterdeur toegekend kreeg. Het college wees de opritten voor de berging af omdat de afvalcontainers in de voortuin geplaatst kunnen worden.
De rechtbank volgt het college in dit standpunt, mede omdat eiseres niet met stukken heeft onderbouwd dat het plaatsen van containers in de voortuin verboden is. Ook is niet gebleken dat het ontbreken van opritten voor de berging haar zelfredzaamheid beperkt. Het verzoek om schadevergoeding wegens de lange duur van de procedure wordt deels toegewezen. De rechtbank oordeelt dat de procedure van bezwaar en beroep samen ruim drie jaar duurde, terwijl twee jaar als redelijke termijn geldt.
De termijnoverschrijding wordt volledig toegerekend aan het college, dat te lang deed over het besluit op bezwaar. Daarom wordt het college veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding van €1.500,- en tot betaling van proceskosten van €437,50. Het beroep wordt verder ongegrond verklaard en eiseres krijgt het griffierecht niet vergoed.