De zaak betreft een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige, waarbij de gecertificeerde instelling (GI) aangeeft dat de gestelde doelen niet zijn behaald en de hulpverlening nog niet is gestart door het faillissement van de eerdere hulpverlener.
De minderjarige ervaart veel weerstand in het contact met haar vader, wat onderzocht moet worden om haar ontwikkeling te waarborgen. De moeder is tegen verlenging vanwege de belasting voor de minderjarige en het ontbreken van hulpverlening, terwijl de vader een langere verlenging van twaalf maanden wenst om de blokkades te kunnen wegnemen.
De kinderrechter constateert dat de ontwikkelingsbedreiging nog aanwezig is en dat de hulpverlening onder regie van de GI snel moet starten. De ondertoezichtstelling wordt verlengd met zes maanden, waarbij de resterende zes maanden worden aangehouden om de voortgang te monitoren. Tevens wordt een gezamenlijke behandeling van de zorgregelingprocedure voorgesteld.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard om de continuïteit van de maatregelen te waarborgen ondanks eventueel hoger beroep.