Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het verloop van de procedure
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en een tolk;
- de vader;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De zaak betreft een verzoek van de Gecertificeerde Instelling (GI) tot machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige bij zijn vader, die ook het gezag heeft, voor de duur van zes maanden. De minderjarige is sinds 2021 onder toezicht gesteld en woont bij zijn moeder. Ondanks diverse vormen van hulpverlening is er weinig vooruitgang in zijn ontwikkeling, waarbij hij nauwelijks communiceert en veel gamet. De minderjarige heeft meerdere malen aangegeven bij zijn vader te willen wonen, die meer structuur en regels biedt.
De moeder verzet zich tegen de plaatsing en betwist dat de vader voldoende zorg kan bieden, wijst op het ontbreken van een concreet begeleidingsplan en maakt bezwaar tegen het tijdstip van de plaatsing vlak voor de meerderjarigheid van de minderjarige. De vader stemt in met de plaatsing en is bereid zijn werk en zorg op elkaar af te stemmen.
De kinderrechter weegt zwaar mee dat de minderjarige zelf de wens heeft uitgesproken bij zijn vader te willen verblijven en acht dit gezien zijn leeftijd en standvastigheid doorslaggevend. De plaatsing wordt als proefperiode van zes maanden verleend, met de nadruk op evaluatie en voortzetting van hulpverlening. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct kan worden uitgevoerd, ook bij hoger beroep.
Uitkomst: Machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij de vader voor zes maanden met uitvoerbaarverklaring bij voorraad wordt verleend.