ECLI:NL:RBZWB:2024:6628

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 september 2024
Publicatiedatum
30 september 2024
Zaaknummer
C/02/426714 HA RK 24-177 (E)
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Rechters
  • Peters
  • Hertsig
  • Tempel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:18 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wraking wrakingskamer afgewezen wegens gebrek aan vooringenomenheid en misbruik wrakingsrecht

Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechters die belast zijn met de behandeling van zijn bestuursrechtelijke zaak. Hij stelde dat de rechters niet onpartijdig zouden zijn omdat zij zijn verzoek tot aanhouding van de zitting hadden afgewezen en omdat er geen duidelijke communicatie was over verhinderdata en aanhoudingsgronden.

De wrakingskamer beoordeelde het verzoek aan de hand van artikel 8:15 Awb Pro en stelde vast dat rechters worden vermoed onpartijdig te zijn. De kamer oordeelde dat de afwijzing van het aanhoudingsverzoek een procesbeslissing is waartegen wraking niet kan worden ingeroepen, tenzij er sprake is van objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid, wat niet is aangetoond.

Daarnaast constateerde de wrakingskamer dat verzoeker meerdere wrakingsverzoeken op dezelfde gronden had ingediend zonder nadere motivering, wat misbruik van het wrakingsinstrument oplevert. Daarom werd een wrakingsverbod opgelegd voor toekomstige verzoeken in deze hoofdzaak.

De wrakingskamer verklaarde het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond en bepaalde dat de behandeling van de zaak wordt voortgezet zoals die was voor de schorsing vanwege het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt kennelijk ongegrond verklaard en een wrakingsverbod opgelegd wegens misbruik van het wrakingsinstrument.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Wrakingskamer
Locatie Breda
zaaknummer C/02/426714 HA RK 24-177
beslissing van 23 september 2024 inzake het wrakingsverzoek ex artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van:
[verzoeker] ,
verder te noemen: verzoeker.

1.Het procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:
- de processtukken zoals opgenomen in de procesdossier met nummer BRE 22-1437;
  • het bericht van verzoeker van 17 september 2024, waarin hij een wrakingsverzoek heeft gedaan;
  • het e-mailbericht van 18 september 2024 van mrs. Bastiaansen, Willems-Ruesink en Den Braber-Riemens, hierna te noemen de rechters, waarin zij kenbaar hebben gemaakt niet in het wrakingsverzoek te berusten.

2.Het verzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechters, belast met de behandeling van de zaak met nummer BRE 22-1437.
2.2.
De rechters berusten niet in het wrakingsverzoek.

3.De gronden van het wrakingsverzoek

3.1.
Verzoeker heeft een wrakingsverzoek gedaan, omdat de rechters bij verzoeker de schijn hebben gewekt niet geheel onpartijdig te zijn en daarmee op de hand van de gedaagde partij te zijn, omdat de rechters zijn aanhoudingsverzoek voor de zitting van 25 september 2024 hebben afgewezen. Verzoeker voert verder aan dat door de rechters geen verhinderdata zijn gevraagd voorafgaand aan het plannen van een zitting, er is niet kenbaar gemaakt binnen welke termijn verzoeker moet reageren als hij verhinderd is en aan verzoeker is niet kenbaar gemaakt welke redenen gegronde redenen zijn om zaken aan te houden. Bovendien stelt verzoeker gegronde reden te hebben aangedragen om de zaak aan te houden. Verzoeker benoemt echter niet welke redenen dit zijn.

4.De beoordeling

Beoordelingskader
4.1.
Op grond van artikel 8:15 van Pro de Awb kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
4.2.
De wrakingskamer stelt het volgende voorop. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter geldt het uitgangspunt, dat een rechter op grond van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn. Een uitzonderlijke omstandigheid kan een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter ten aanzien van een procespartij een vooringenomenheid koestert, of dat een bij een partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
4.3.
De wrakingskamer moet daarom onderzoeken of de door verzoeker aangevoerde specifieke feiten en omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechters jegens hem een vooringenomenheid koestert of dat de door verzoeker geuite vrees daarvoor – objectief – gerechtvaardigd is.
Beoordeling van de gronden
4.4.
De wrakingskamer is van oordeel dat uit de door verzoeker aangevoerde wrakingsgronden niet geconcludeerd kan worden dat de rechters ten aanzien van verzoeker vooringenomen zijn of dat zijn vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. De wrakingskamer legt hierna uit waarom zij tot dit oordeel komt.
4.5.
De wrakingskamer is van oordeel dat de beslissing van de rechters om het door verzoeker gedane aanhoudingsverzoek af te wijzen, moet worden aangemerkt als een procesbeslissing. Volgens de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2018:1413) komt de wrakingskamer geen oordeel toe over de juistheid van zo’n procesbeslissing. Ook over de motivering van een procesbeslissing mag de wrakingskamer geen oordeel geven, zelfs niet als het gaat om een door verzoeker onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of het ontbreken van een motivering. Reden hiervoor is dat tegen een uitspraak van de rechtbank doorgaans een rechtsmiddel (zoals hoger beroep) kan worden ingesteld waarbij dit aan de orde kan komen. Alleen als de procesbeslissing in het licht van de omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid, kan dat tot een ander oordeel leiden. Dat daarvan in deze zaak sprake zou zijn, is niet onderbouwd en hiervan is naar het oordeel van de wrakingskamer ook niet gebleken.
Conclusie
4.6.
Gelet op het voorgaande kan niet worden geconcludeerd dat de rechters ten aanzien van verzoeker vooringenomen is of dat zijn vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarom is de wrakingskamer van oordeel dat het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond moet worden verklaard.
4.7.
Omdat sprake is van een kennelijk ongegrond wrakingsverzoek laat de wrakingskamer een mondelinge behandeling van het verzoek achterwege.
Wrakingsverbod
4.8.
Aangezien verzoeker op hetzelfde moment meerdere wrakingsverzoeken heeft gedaan op dezelfde gronden (zie ook C/02/426713 HA RK 24-176), stelt de wrakingskamer vast dat verzoeker misbruik heeft gemaakt van het instrument tot wraking. Verzoeker heeft in zijn wrakingsverzoeken niet nader gemotiveerd waaruit de veronderstelde vooringenomenheid van de rechters bestaat anders dan dat hij zich niet kan vinden in de afwijzing van zijn aanhoudingsverzoek. De wrakingskamer ziet daarom aanleiding met toepassing van artikel 8:18, vierde lid, van de Awb te bepalen dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in de hoofdzaak niet in behandeling wordt genomen.
5. De beslissing
De rechtbank:
  • verklaart het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond;
  • bepaalt dat de behandeling van de zaak met zaaknummer BRE 22-1437 wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens indiening van het verzoek.
Deze beslissing is gegeven op 23 september 2024 door mr. Peters, mr. Hertsig en mr. Tempel en op dezelfde dag uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. Rockx, griffier. De beslissing wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.
De voorzitter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.