Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het verdere verloop van de procedure
De feiten
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige geboren in 2007. De ondertoezichtstelling was reeds eerder verlengd tot 22 december 2023. De GI verzocht op 16 oktober 2023 om een verlenging van zes maanden.
Tijdens de mondelinge behandeling op 4 januari 2024, waarbij de moeder en haar advocaat niet aanwezig waren, heeft de betrokken jeugdzorgwerkster namens de GI het resterende verzoek tot verlenging ingetrokken. Zij motiveerde dit door aan te geven dat de moeder ambivalent is over hulpverlening, dat er een patstelling is ontstaan tussen moeder en jeugdzorgwerkster, en dat een verlenging weinig meerwaarde heeft gezien het gebrek aan medewerking en motivatie van de minderjarige.
De moeder had eerder aangegeven geen vertrouwen te hebben in de GI en wilde de ondertoezichtstelling opgeheven zien. De kinderrechter oordeelde dat het ingetrokken verzoek niet meer onderzocht kan worden en wees het resterende deel van het verzoek af. De beschikking is in het openbaar uitgesproken op 11 januari 2024 en er is mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: Het resterende verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt afgewezen.