Partijen, die gezamenlijk ouderlijk gezag hebben over hun minderjarige kind, hebben een voorlopige zorgregeling en kinderbijdrage vastgesteld gekregen bij beschikking van 4 juli 2024. De man verzocht om een uitgebreidere omgangsregeling, maar vanwege praktische bezwaren en werkverplichtingen is een wijziging van de zorgregeling besproken.
Tijdens de mondelinge behandeling op 6 september 2024 kwamen partijen overeen de zorgregeling te wijzigen naar één wekelijkse omgang van twee uur bij de vrouw thuis, in aanwezigheid van de vrouw, met afstemming op basis van het werkrooster van de vrouw. De kinderbijdrage van €250 per maand, ingaande 1 juni 2024, wordt voortgezet en de achterstand is ingelopen.
De vrouw verzocht tevens om beëindiging van het gezamenlijk gezag, maar dit verzoek wordt aangehouden totdat het jeugdhulpverleningstraject via het Uniform Hulpaanbod is afgerond. De rechtbank acht het in het belang van het kind om de gezagskwestie te laten rusten tot de rapportage over het hulpverleningstraject beschikbaar is.
De rechtbank verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad en behoudt zich verdere beslissingen voor.