ECLI:NL:RBZWB:2024:6748
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen WOZ-waarde woning en afwijzing immateriële schadevergoeding
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning en de daarbij behorende aanslag onroerendezaakbelasting (OZB). De heffingsambtenaar stelde de waarde op €365.000 vast en verklaarde het bezwaar ongegrond. Belanghebbende stelde beroep in bij de rechtbank.
Tijdens de zitting trok de gemachtigde van belanghebbende het beroepsgrond ten aanzien van de WOZ-waarde in, waardoor alleen de vraag overbleef of artikel 40 van Pro de Wet WOZ was geschonden en of er recht bestond op immateriële schadevergoeding wegens de duur van de procedure.
De rechtbank oordeelde dat geen sprake was van schending van artikel 40 Wet Pro WOZ, omdat de heffingsambtenaar de waarde in elke fase mocht onderbouwen en het verzoek onvoldoende specifiek was. Tevens werd het verzoek om immateriële schadevergoeding afgewezen, omdat belanghebbende niet actief betrokken was bij de procedure en er geen aanleiding was om aan te nemen dat hij daardoor schade had geleden.
De WOZ-waarde en aanslag OZB blijven gehandhaafd, en belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.