Verdachte werd beschuldigd van het in 2020 produceren van 3704,25 kilogram meer fosfaat dan zijn fosfaatrecht toeliet, een overtreding van artikel 21b van de Meststoffenwet. De rechtbank stelde vast dat verdachte opzettelijk handelde, aangezien hij wist dat zijn productie hoger was dan toegestaan en dat juridische procedures geen zekerheid boden op extra fosfaatrechten.
De verdediging voerde aan dat sprake was van overmacht en dat verdachte alles had gedaan om aan de wetgeving te voldoen en oplossingen te zoeken. De rechtbank verwierp het verweer dat materiële wederrechtelijkheid ontbrak, omdat het handelen niet bijdroeg aan het doel van de wet en geen gewijzigde maatschappelijke inzichten dit anders rechtvaardigden.
Echter, de rechtbank oordeelde dat verdachte door de invoering van het fosfaatrechtenstelsel en investeringen in een innovatief stalconcept in een lastige positie was gekomen, waar hij geen invloed op had. Door zijn inspanningen en de samenloop van omstandigheden kon hem geen strafrechtelijk verwijt worden gemaakt. Daarom werd verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging ondanks de bewezen overtreding.
Daarnaast werd beslag op vijf onroerende goederen teruggegeven aan verdachte omdat deze niet vatbaar waren voor verbeurdverklaring. De zaak werd inhoudelijk behandeld door de meervoudige economische kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 24 september 2024.