Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De benadeelde partij
6.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het onder ten laste gelegde feit;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 8 oktober 2024 de zaak tegen een minderjarige verdachte die werd verdacht van diefstal met geweld van een mobiele telefoon op 11 november 2023 bij een sportpark in een plaats in Nederland.
De officier van justitie baseerde de tenlastelegging op verklaringen van de aangever en een getuige, die de verdachte als dader aanwezen. De verdediging voerde aan dat de verklaringen tegenstrijdig zijn, dat er sprake was van drugsgebruik en geheugenverlies bij de aangever, en dat verdachte mogelijk verward is met een op hem lijkende vriend die niet is gehoord.
De rechtbank constateerde dat de verklaringen van aangever en getuige op essentiële punten verschillen, zoals het tijdstip en de locatie van het incident, en het aantal aanwezigen. Ook was er geen objectief bewijs zoals een fotoconfrontatie die de identiteit van verdachte bevestigt. Het scenario van verwarring met een vriend kon niet worden uitgesloten.
Gezien de twijfel over de betrouwbaarheid van het bewijs achtte de rechtbank het niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de diefstal met geweld heeft gepleegd en sprak hem vrij. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij werd daarom niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.