Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het verloop van het geding
2.Het geschil
3.De beoordeling
€ 135,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Laurentius vordert ontruiming van een woning die zij verhuurt aan [de huurder], naar aanleiding van een drugsvondst en een sluitingsbesluit van de burgemeester op grond van de Opiumwet. De politie trof in de woning een handelshoeveelheid drugs aan, waaronder cocaïne, MDMA en XTC-pillen. Laurentius ontbond de huurovereenkomst buitengerechtelijk en startte een kort geding om ontruiming af te dwingen.
De huurder betwist betrokkenheid bij de drugs en stelt dat hij tijdens de inval op vakantie was en de woning tijdelijk aan een kennis had overgedragen, die hij niet als onbetrouwbaar kende. De kantonrechter overweegt dat de drugsvondst weliswaar een sluiting van de woning rechtvaardigt, maar dat onvoldoende is komen vast te staan dat de huurder wist van of betrokken was bij de drugs. De MMA-melding ziet niet duidelijk op het gehuurde en er is geen bewijs van handel vanuit de woning.
De kantonrechter weegt het belang van Laurentius tegen het woonbelang van de huurder en concludeert dat de buitengerechtelijke ontbinding niet proportioneel is. Ook de subsidiaire grondslag voor ontbinding wegens tekortkoming in de nakoming faalt, omdat geen verwijtbare gedraging aan de huurder kan worden toegerekend. De vordering tot ontruiming wordt daarom afgewezen en Laurentius wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot ontruiming wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van betrokkenheid van de huurder bij de drugs.