De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 26 september 2024 de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van poging tot doodslag op zijn ex-vriendin, psychische mishandeling van hun kind en mishandeling van de moeder van zijn ex-vriendin. De tenlastelegging werd gewijzigd en de rechtbank oordeelde dat de poging tot doodslag en psychische mishandeling van het kind niet wettig en overtuigend bewezen konden worden, waardoor verdachte hiervan werd vrijgesproken.
Wel werd wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 5 juni 2024 zijn ex-vriendin heeft geprobeerd zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door haar te trappen en te slaan, en dat hij haar moeder heeft mishandeld door haar tegen het been te trappen, wat leidde tot een val. De rechtbank nam de ernst van de feiten, het recidiverisico en het advies van de reclassering mee in de strafoplegging.
Verdachte kreeg een gevangenisstraf van zes maanden opgelegd, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden zoals meldplicht, ambulante behandeling, dagbesteding en medewerking aan hulpverlening. Tevens werden een contactverbod en locatieverbod opgelegd voor twee jaar met dadelijke uitvoerbaarheid.
De benadeelde partij kreeg een schadevergoeding toegekend van €1.940,15 voor materiële en immateriële schade. De rechtbank bepaalde dat bij niet-betaling gijzeling kan worden toegepast. Het vonnis werd uitgesproken op 10 oktober 2024 door de meervoudige kamer van de rechtbank.
Uitkomst: Verdachte wordt veroordeeld tot 6 maanden gevangenisstraf, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met contact- en locatieverbod en schadevergoeding aan benadeelde.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02/192879-24
vonnis van de meervoudige kamer van 10 oktober 2024
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag 1] 1995 te [geboorteplaats] (destijds [land] )
wonende te [woonadres]
raadsman mr. J. van Rooijen, advocaat te Tilburg
1.Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 26 september 2024, waarbij de officier van justitie, mr. J. Verschuren, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2.De tenlastelegging
De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 vanPro het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
feit 1:heeft geprobeerd om zijn ex-partner te doden, dan wel heeft geprobeerd bij haar zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel haar heeft mishandeld;
feit 2:het kind van zijn ex-partner geestelijk heeft mishandeld;
feit 3:zijn ex-schoonmoeder heeft mishandeld.
3.De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4.De beoordeling van het bewijs
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vordert vrijspraak ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde feit. Hij acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 subsidiair en de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit vrijspraak van de onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van de onder 1 subsidiair en onder 3 ten laste gelegde feiten wordt gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 1 primair
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat feit 1 primair niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.
Feit 1 subsidiair en feit 3
Omdat verdachte feit 1 subsidiair en feit 3 heeft bekend en door de verdediging geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen (bijlage II) als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 1 subsidiair en feit 3 heeft begaan.
Feit 2
Zoals hiervoor is overwogen, is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft gepoogd de moeder van [minderjarige] , [slachtoffer 1] , zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Een van de vragen die moet worden beantwoord is of de omstandigheid dat [minderjarige] dit heeft gezien, veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat dit het geval is geweest, een benadeling van de gezondheid van [minderjarige] oplevert als bedoeld in artikel 300 lid 4 WetboekPro van Strafrecht (hierna: Sr).
De rechtbank stelt voorop dat emotionele of psychische mishandeling van een kind onder omstandigheden, in ieder geval blijkens lagere rechtspraak, kan worden aangemerkt als mishandeling in de zin van artikel 300 SrPro. De in het vierde lid van artikel 300 SrPro genoemde gelijkstelling van mishandeling met benadeling van de gezondheid biedt namelijk aanknopingspunten voor strafbaarheid van niet alleen het veroorzaken van lichamelijke pijn, letsel of onlust met een fysieke component, maar ook voor psychische of emotionele mishandeling. Bij de vraag of hiervan sprake is, komt het aan op de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de gedragingen(en) van verdachte en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht.
De rechtbank leidt uit het dossier af dat [minderjarige] verdrietig was na de mishandeling van zijn moeder, terwijl uit de slachtofferverklaringen van zijn moeder en oma blijkt dat hij angstig was na het incident. Alhoewel het evident is dat een ernstige mishandeling van een moeder als hier aan de orde veel impact heeft op een kind die dit van dichtbij meemaakt, biedt dit dossier naar het oordeel van de rechtbank, bij gebrek aan nadere (medische) informatie over de gevolgen voor de gezondheid van [minderjarige] onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake is van een benadeling van de gezondheid in de hiervoor bedoelde zin. Verdachte zal dan ook van dit feit worden vrijgesproken.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
op 5 juni 2024 te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan mevrouw [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met geschoeide voet tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft getrapt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3
op 5 juni 2024 te [plaats] , mevrouw [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] tegen het been te trappen ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] ten val is gekomen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5.De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6.De strafoplegging
6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 38 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, behoudens het contact- en locatieverbod. De officier van justitie vordert de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden. Daarnaast vordert hij een taakstraf voor de duur van 80 uur, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis.
De officier van justitie vordert ook een contactverbod met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , met uitzondering van contact dat plaatsvindt in het bijzijn van hulpverlening, en een locatieverbod voor een straal van 200 meter om de [adres] ex artikel 38v Sr voor de duur van drie jaar en daarbij de dadelijke uitvoerbaarheid. Per overtreding vordert hij twee weken hechtenis met een maximum van zes maanden.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit een gevangenisstraf voor de duur van 10 weken, waarbij het onvoorwaardelijke deel niet langer is dan het voorarrest. Het restant kan voorwaardelijk worden opgelegd met een proeftijd van twee jaar en de bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd. Voor een aanvullende taakstraf is dan geen ruimte meer. Een contactverbod met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , alsmede een locatieverbod ex artikel 38v Sr heeft volgens de verdediging geen toegevoegde waarde. Aan de voorwaarden voor dadelijke uitvoerbaarheid is niet voldaan.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
De straf die aan verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van zijn ex-vriendin, de moeder van zijn kind. Hij heeft haar in het bijzijn van hun dochter, haar minderjarige zoon en haar ouders tegen het gezicht getrapt en geslagen. En hoewel dit nu niet volgt uit de bewezenverklaring heeft hij haar ook aan haar haren getrokken en meegesleurd. Verdachte heeft totaal onnodig excessief geweld gebruikt tegen zijn ex-vriendin. Daarnaast heeft verdachte ook haar moeder onderuit geschopt, die tussen beiden probeerde te komen en waardoor zij ten val is gekomen en zich heeft bezeerd aan haar vinger. Door deze mishandelingen heeft verdachte de lichamelijke en psychische integriteit van de slachtoffers ernstig geschonden. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring van de ex-vriendin van verdachte blijkt dat zijn handelen gevoelens van angst en onveiligheid hebben opgeroepen, ook bij de zoon van de ex-vriendin van verdachte. Bovendien volgt uit de vordering tot schadevergoeding dat de ex-vriendin van verdachte kampt met een angststoornis, waarvoor zij in behandeling gaat bij een specialist. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële documentatie van verdachte van 8 augustus 2024, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld.
Tevens heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies van 13 september 2024.
Verdachte heeft zich aan de schorsingsvoorwaarden gehouden. Ook geeft hij aan zich aan eventueel op te leggen bijzondere voorwaarden te zullen houden. De reclassering schat het recidiverisico in als gemiddeld, gelet op het justitiële verleden van verdachte. Voorts merkt de reclassering op dat er vier instanties zijn betrokken bij de begeleiding van het contact met de dochter van verdachte en dat die begeleiding niet altijd even soepel verloopt. Verdachte stijgt snel in spanning en verliest op die momenten zijn zelfbeheersing. Daarbij heeft verdachte het gevoel dat de hulpverlening meer op de hand van aangeefster is en hij in bepaalde opzichten tekort wordt gedaan. Tussen verdachte en de hulpverlening hebben er dan ook conflicten plaatsgevonden.
De reclassering adviseert een deels voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandeling, een locatieverbod voor een straal van 200 meter van de [adres] , een contactverbod met [slachtoffer 1] , dagbesteding en het verlenen van medewerking aan hulpverlening op te leggen.
De op te leggen straf
Bij de bepaling van de hoogte van de straf houdt de rechtbank rekening met de Landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Voor de poging tot het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door middel van een trap tegen het hoofd geldt als oriëntatiepunt een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden. De rechtbank zal dit dan ook als uitgangspunt nemen bij het bepalen van de op te leggen straf. Strafverzwarend weegt de rechtbank mee dat de feiten, jegens de ex-partner en ex-schoonmoeder van verdachte, hebben plaatsgevonden in het openbaar, namelijk voor de deur van de woning, en in het bijzijn van twee minderjarige kinderen die dit hebben kunnen zien. Ook weegt voor de rechtbank zwaar dat verdachte excessief zinloos geweld heeft gebruikt en verdachte nog steeds – volgens de reclassering - snel stijgt in spanning en op die momenten zijn zelfbeheersing verliest. De rechtbank kan dan ook niet anders dan volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf en komt daarbij door de hiervoor genoemde strafverzwarende omstandigheden uit op een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. De rechtbank acht een voorwaardelijk deel met bijzondere voorwaarden op zijn plaats om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen en hem te bewegen mee te werken aan een ambulante behandeling ter verlaging van de kans op herhaling. Een taakstraf daarnaast, zoals door de officier van justitie gevorderd, acht de rechtbank niet op zijn plaats gelet op de ernst van de feiten.
De rechtbank is zich ervan bewust dat het contact tussen verdachte en zijn dochter inmiddels weer loopt en dat het terug moeten naar de gevangenis deze regeling zou doorkruisen. De rechtbank acht echter de gepleegde feiten dusdanig ernstig dat niet kan worden volstaan met slechts een onvoorwaardelijk deel van 22 dagen gevangenisstraf (het voorarrest). Wel zal de rechtbank, zoals hiervoor al aangegeven, een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen en daar bijzondere voorwaarden aan koppelen. De rechtbank legt aan verdachte op een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank koppelt aan het voorwaardelijk deel – naast de algemene voorwaarden – als bijzondere voorwaarden de meldplicht, het meewerken aan een ambulante behandeling, dagbesteding en het meewerken aan hulpverlening rondom de afspraken tussen hem en zijn ex-vriendin omtrent hun dochter.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 vanPro de Penitentiaire beginselenwet.
38v maatregel
Net als de officier van justitie acht de rechtbank een contactverbod en locatieverbod als vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr het meest passend ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten. De rechtbank legt het contactverbod op ten aanzien van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Het contactverbod zal niet gelden in aanwezigheid van professionele derden in het kader van gezag of omgang. Deze verboden zullen worden opgelegd voor de duur van twee jaar, waarbij een hechtenis van twee weken per overtreding zal gelden met een maximum van zes maanden.
Dadelijke uitvoerbaarheid
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten een poging tot zware mishandeling en een mishandeling.
Gelet op de inhoud van het reclasseringsadvies en het recidiverisico, het feit dat verdachte en aangeefster samen een dochter hebben waarover zij beiden het ouderlijk gezag uitoefenen en verdachte nog geen behandeling heeft gevolgd, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
Tevens is de rechtbank gelet op het voorgaande van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de vrijheidsbeperkende maatregel ex art. 38v Sr dadelijk uitvoerbaar is.
7.De benadeelde partij
De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 2.940,15 voor feit 1 subsidiair.
Materiële schade
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De door de benadeelde gevorderde materiële schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot het gevorderde bedrag van € 440,15 betreffende het eigen risico van de zorgverzekering en de kosten ter vervanging van de sloten van de woning waarin de benadeelde partij verblijft. Dat de benadeelde de eerstgenoemde schade heeft geleden is niet weersproken. De vervanging van de sloten oordeelt de rechtbank een redelijke maatregel gelet op het feit dat verdachte nog in het bezit was van de sleutels van de woning, zijn ex-vriendin, benadeelde, daar op dat moment woonde en gelet op de angstgevoelens die als gevolg van de mishandeling bij de benadeelde zijn ontstaan.
Immateriële schade
De benadeelde heeft als gevolg van de mishandeling lichamelijk letsel opgelopen zodat zij recht heeft op vergoeding van immateriële schade.
Gelet op de aard en ernst van het letsel, de gevolgen voor de benadeelde en de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, acht rechtbank vergoeding van een bedrag van € 1.500,- billijk.
Bovengenoemde bedragen zullen worden vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente vanaf 5 juni 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
Verdachte zal worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot nu toe heeft gemaakt of ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog zal maken, tot nu toe begroot op nihil.
8.De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 45, 57, 300, 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9.De beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrijvan de onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde feiten;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1 subsidiair:poging tot zware mishandeling en
feit 3:mishandeling
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden:
* dat verdachte zich binnen drie dagen zal melden bij Reclassering Nederland te Tilburg (Ringbaan West 275) en zich daarna gedurende een door de reclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) zal blijven melden, zo lang en zo frequent als de reclassering noodzakelijk acht. Huisbezoeken zijn onderdeel van de meldplicht;
* dat verdachte gedurende de proeftijd zal meewerken aan intake, diagnostiek en zich onder behandeling zal stellen van forensisch psychiatrisch centrum Fivoor of een soortgelijke zorgverlener te bepalen door de reclassering. De behandeling start zo snel mogelijk en duurt zolang als de reclassering noodzakelijk acht. Verdachte zal zich houden aan de huisregels en aanwijzingen die de zorgverlener voor de behandeling geeft. Daaronder kan ook vallen het innemen van medicatie als de zorgverlener dat noodzakelijk acht;
* dat verdachte zich zal inspannen voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag. Verdachte zal bewijs aan de reclassering overleggen, zoals sollicitaties, arbeidsovereenkomst, loonstroken, C.V. en mogelijkheden voor werkervaring onderzoek. Als verdachte geen werk of dagbesteding heeft, zal hij deelnemen aan de Training Werken aan werk en zal hij een aanvraag doen voor een uitkering en deelnemen aan het traject bij de gemeente Tilburg dat daaraan verbonden wordt;
*dat verdachte zijn medewerking zal verlenen aan de hulpverlening rondom de afspraken tussen hem en zijn ex-partner omtrent hun dochter. Hij zal zich houden aan de gemaakte afspraken met de hulpverlening;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn:
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 vanPro de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- bepaalt dat de aan de voorwaardelijke straf verbonden voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Maatregel
- legt op de maatregel dat verdachte voor de duur van twee jaar op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedag 2] 1994,met uitzondering van contact dat plaatsvindt in aanwezigheid van professionele derden in het kader van gezag of omgang;
- legt op de maatregel dat verdachte voor de duur van twee jaar op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedag 3] 1968;
- beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt twee weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden;
- bepaalt dat toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft;
- legt op de maatregel dat verdachte voor de duur van twee jaar zich niet zal ophouden in het navolgende gebied:
binnen een straal van 200 meter om [adres]
- beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden;
- bepaalt dat toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft;
- beveelt dat de opgelegde maatregelen dadelijk uitvoerbaar zijn omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen.
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 1.940,15, waarvan € 440,15 aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 5 juni 2024 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer 1] (feit 1 subsidiair), € 1.940,15 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 5 juni 2024 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 29 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.I. Beudeker, voorzitter, mr. L.W. Louwerse en mr. F.L. Donders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.W. Schalk en mr. L. Willems, griffiers, en is uitgesproken ter openbare zitting op 10 oktober 2024.
Mr. Louwerse is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
10.Bijlage I
De gewijzigde tenlastelegging
1
hij op of omstreeks 5 juni 2024 te [plaats] , in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om mevrouw [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven,
(met geschoeide voet) tegen het hoofd en/of in gezicht van die [slachtoffer 1] heeft geschopt en/of getrapt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(art 287 WetboekPro van Strafrecht, art 45 lid 1 WetboekPro van Strafrecht)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 5 juni 2024 te [plaats] , in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan mevrouw [slachtoffer 1] opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
(met geschoeide voet) tegen het hoofd en/of in gezicht van die [slachtoffer 1] heeft geschopt en/of getrapt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(art 302 lid 1 WetboekPro van Strafrecht, art 45 lid 1 WetboekPro van Strafrecht)
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 5 juni 2024 te [plaats] , in elk geval in Nederland, mevrouw [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] :
- meermalen, in elk geval eenmaal, tegen het hoofd en/of in het gezicht, in elk geval tegen het lichaam te slaan en/of
- meermalen, in elk geval eenmaal, bij de haren te pakken en/of (vervolgens) aan de haren te trekken en/of
- tegen het hoofd en/of in gezicht, in elk geval tegen het lichaam te trappen en/of te schoppen;
hij op of omstreeks 5 juni 2024 te [plaats] , in elk geval in Nederland, een kind, te weten [minderjarige] , heeft mishandeld door mevrouw [slachtoffer 1] , zijnde de moeder van genoemd kind en/of mevrouw [slachtoffer 2] , zijnde de grootmoeder van genoemd kind, te mishandelen terwijl genoemd kind hierbij aanwezig was en/of de genoemde mishandeling heeft waargenomen waardoor genoemd kind psychisch letsel heeft bekomen en/of een hevige onlust veroorzakende lichamelijke en/of geestelijke gewaarwording bij genoemd kind is veroorzaakt en/of waardoor opzettelijk de gezondheid van genoemd kind werd
hij op of omstreeks 5 juni 2024 te [plaats] , in elk geval in Nederland, mevrouw [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] tegen het been, in elk geval tegen het lichaam te trappen ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] ten val is gekomen;