Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedure
25 september 2024. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter samengevat wat de minderjarigen hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2.De feiten
3.Het geschil
niet-ontvankelijkheid van de vrouw in haar vorderingen dan wel tot afwijzing van die vorderingen.
4.De beoordeling
co-ouderschap en zullen de minderjarigen de man veel minder zien, terwijl de minderjarigen hun beide ouders evenveel nodig hebben om volwaardig op te kunnen groeien. Bovendien heeft de verhuizing met name voor de minderjarigen vergaande gevolgen, waarbij zij zich staande moeten gaan houden in twee verschillende leefomgevingen dat veel van hen zal vergen. Namens de vrouw wordt gewezen op het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 19 juli 2022 (ECLI:NL:GHAR:2022:6209).