ECLI:NL:RBZWB:2024:7036

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 oktober 2024
Publicatiedatum
17 oktober 2024
Zaaknummer
C/02/427330 / HA RK 24-196
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Rechters
  • Holierhoek
  • Van der Ploeg-Hogervorst
  • Van Noort
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 279 lid 6 RvArt. 87 lid 6 RvArt. 85 lid 4 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wrakingsverzoek kantonrechter wegens vermeende vooringenomenheid afgewezen

Verzoekster heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen kantonrechter Van den Boom, stellende dat deze onvoldoende vragen stelde over belangrijke aspecten van de zaak en geen voorlopig oordeel gaf over de betaling die tot de nalatenschap behoort.

De wrakingskamer oordeelt dat het ontbreken van de door verzoekster gewenste vragen en het uitblijven van een mondeling oordeel niet duiden op vooringenomenheid. De rechter heeft ruime vrijheid in het voeren van de regie tijdens de zitting en is niet verplicht om mondeling te beslissen.

Daarnaast is het bezwaar tegen het toelaten van te laat ingediende producties geen grond voor wraking, temeer daar verzoekster een termijn is gegund om zich hierover uit te laten.

De wrakingskamer verklaart het verzoek kennelijk ongegrond en bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand van vóór de schorsing wegens het wrakingsverzoek.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de kantonrechter is kennelijk ongegrond verklaard en de zaak wordt voortgezet.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Wrakingskamer
Middelburg
zaaknummer / rekestnummer: C/02/427330 / HA RK 24-196
Uitspraak van 16 oktober 2024
in de zaak van
[verzoekster],
wonende te [plaats],
verzoekster,
procederend in persoon.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het schriftelijke wrakingsverzoek van 7 oktober 2024;
  • de schriftelijke mededeling van mr. Van den Boom van 8 oktober 2024 dat hij niet in de wraking berust en zijn reactie op het wrakingsverzoek;
  • de processtukken zoals opgenomen in het dossier in de hoofdzaak met zaaknummer 11054664 OV VERZ 24-2075.

2.Het verzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van mr. Van den Boom (hierna: de kantonrechter).

3.De beoordeling

3.1.
Op grond van artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna; Rv) kan op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
De wrakingskamer stelt voorop dat bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter het uitgangspunt geldt dat een rechter op grond van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn. Een uitzonderlijke omstandigheid kan een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter jegens een procespartij vooringenomenheid koestert, of dat een bij een partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
3.3.
De wrakingskamer maakt uit het wrakingsverzoek op dat verzoekster aan haar wrakingsverzoek het volgende ten grondslag legt. De kantonrechter heeft met betrekking tot een aantal aspecten van de zaak die verzoekster belangrijk vindt geen vragen gesteld. Daarnaast had verzoekster van de kantonrechter kennelijk op de mondelinge behandeling een (voorlopig) oordeel willen horen met betrekking tot de vraag welk gedeelte van de betaling die de werkgever van erflater na overlijden heeft gedaan tot de nalatenschap van erflater behoort. Verzoekster is voorts van mening dat de kantonrechter ook aan eiseres in de hoofdzaak zelf vragen had moeten stellen over het afwikkelen van de nalatenschap van erflater omdat verzoekster er geen vertrouwen in heeft dat dat op rechtmatige wijze is gebeurd.
3.4.
Een mondelinge behandeling is bedoeld om partijen in de gelegenheid te stellen hun standpunten verder toe te lichten en over en weer te reageren op elkaars stellingen uit de schriftelijke stukken. De mondelinge behandeling is ook, en niet in de laatste plaats, bedoeld om de rechter van aanvullende inlichtingen te voorzien die hij nodig heeft om tot een beslissing te komen met betrekking tot het aan hem voorgelegde geschil. De vragen die de rechter aan partijen stelt zijn dus voornamelijk gericht op het verkrijgen van de informatie die hij nodig heeft om tot een beslissing te komen en die niet uit het dossier blijkt. Dat dit niet de vragen zijn die verzoekster gesteld had willen zien, kan niet tot het oordeel leiden dat er bij de rechter sprake zou zijn van vooringenomenheid. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat de kantonrechter geen aanleiding heeft gezien om vragen aan eiseres in de hoofdzaak te stellen. Het hoort tot de taak van de kantonrechter om de regie op de zitting te voeren en hij heeft daarbij een grote mate van vrijheid. Het is aan de rechter om te beslissen aan wie hij op de zitting vragen stelt. De rechter is voorts niet gehouden om alvast mondeling te beslissen op (onderdelen van) het geschil. Het uitgangspunt van de wet is dat de beslissing van de rechter schriftelijk wordt uitgewerkt voordat die wordt uitgesproken. In deze zaak bestond naar het oordeel van de kantonrechter kennelijk geen aanleiding om een mondelinge (tussen)beslissing te nemen.
3.5.
Indien en voor zover verzoekster aan haar verzoek mede bedoeld heeft ten grondslag te leggen dat de kantonrechter ten onrechte de door de wederpartij te laat (want niet binnen de termijn genoemd in artikel 279 lid 6 jo Pro 87 lid 6 Rv) ingediende producties heeft toegelaten geldt het volgende. De beslissing deze producties toe te laten is een procesbeslissing. Een procesbeslissing is geen grond voor toewijzing voor een wrakingsverzoek. Afgezien daarvan heeft de kantonrechter overeenkomstig art. 85 lid 4 Rv Pro verzoekster een termijn van twee weken gegund om zich alsnog over deze producties uit te laten. Daarmee heeft de kantonrechter met haar belangen rekening gehouden.
3.6.
De wrakingskamer is gelet op het voorgaande van oordeel dat de gang van zaken tijdens de mondelinge behandeling niet tot de conclusie kan leiden dat de kantonrechter jegens verzoekster vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoekster bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
3.7.
Omdat er sprake is van een kennelijk ongegrond wrakingsverzoek laat de wrakingskamer een mondelinge behandeling van het verzoek achterwege, overeenkomstig het bepaalde in artikel 4 lid 2 sub a van Pro het Wrakingsprotocol van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (gepubliceerd op de website www.rechtspraak.nl, zie rechtbank Zeeland-West-Brabant, regels en procedures, wrakingsprotocol).

4.De beslissing

De wrakingskamer
4.1.
verklaart het verzoek kennelijk ongegrond,
4.2.
bepaalt dat de zaak met nummer 11054664 OV VERZ 24-2075 zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens indiening van het verzoek.
Deze beschikking is gegeven door mr. Holierhoek, mr. Van der Ploeg-Hogervorst en mr. Van Noort en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2024.