Uitspraak
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
1.De zaak in het kort
2.De procedure
- de akte na comparitie van [gedaagde] , met producties 6 tot en met 11,
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In deze verklaringsprocedure stond centraal of en welk bedrag de gedaagde verschuldigd was aan de eiser als gevolg van een beslaglegging op 18 november 2022. De rechtbank had de gedaagde eerder bevolen om bankafschriften over te leggen en toe te lichten welke bedragen aan de zoon van de gedaagde of diens bedrijf toebehoorden.
De overgelegde bankafschriften toonden aan dat de gedaagde regelmatig bedragen ontving die bestemd waren voor het bedrijf van zijn zoon, hetgeen de gedaagde aanvankelijk ontkende. De rechtbank oordeelde dat de gedaagde onvolledig en onjuist had verklaard, waardoor niet exact kon worden vastgesteld wat nog verschuldigd was. De rechtbank concludeerde dat er wel degelijk een rechtsverhouding bestond en dat de gedaagde niet aan zijn onderbouwingsplicht had voldaan.
Op basis van de berekening van de eiser werd de gedaagde veroordeeld tot betaling van €17.725,90. Daarnaast werd de gedaagde veroordeeld tot betaling van beslagkosten en proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De gedaagde is veroordeeld tot betaling van €17.725,90 aan de eiser wegens onjuiste en onvolledige verklaring over bankafschriften.