Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2024:7065

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 september 2024
Publicatiedatum
17 oktober 2024
Zaaknummer
10685121 \ CV EXPL 23-2888 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Sierkstra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ontbinding huurovereenkomst wegens onvoldoende bewijs drugshandel vanuit gehuurde

De zaak betreft een geschil tussen woningbouwvereniging Laurentius en een huurder over de ontbinding van een huurovereenkomst wegens vermeende drugshandel vanuit het gehuurde.

De kantonrechter heeft onderzocht of er vóór 6 februari 2023 postpakketten met verdovende middelen vanuit het gehuurde werden samengesteld en verzonden. Uit het strafdossier blijkt dat de zoon van de huurder wel betrokken is bij drugshandel, maar dat er geen bewijs is dat dit vanuit het gehuurde gebeurde vóór genoemde datum. Ook eerdere anonieme meldingen konden dit niet bevestigen.

Gezien het ontbreken van voldoende bewijs en de omstandigheden, waaronder het langdurige verblijf van de huurder en het ontbreken van bezwaar van omwonenden, acht de kantonrechter ontbinding van de huurovereenkomst onaanvaardbaar. De vorderingen van Laurentius worden afgewezen en zij wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten en wettelijke rente.

Uitkomst: De vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst worden afgewezen wegens onvoldoende bewijs van drugshandel vanuit het gehuurde.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 10685121 \ CV EXPL 23-2888
Vonnis van 11 september 2024
in de zaak van
Vereniging met volledige rechtsbevoegdheidWoningbouwvereniging Laurentius,
gevestigd in Breda,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: Laurentius,
gemachtigde: mr. K.A.M. Jaspers, advocaat in Rotterdam,
tegen
Mevrouw [gedaagde],
wonende in [plaats 1] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. R.S. Namjesky, advocaat in Breda.

1.De verdere procedure

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 15 mei 2024 en de daarin genoemde stukken;
- de akte overlegging productie van [gedaagde] ;
- de antwoordakte van Laurentius.
Hierna is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

in conventie
2.1.
In het tussenvonnis van 15 mei 2024 heeft de kantonrechter overwogen dat mogelijk van doorslaggevend belang is of er (vóór 6 februari 2023) vanuit het gehuurde postpakketten met verdovende middelen zijn samengesteld en per postpakketdienst zijn verzonden. Dat staat in de politierapportage van 22 mei 2023, maar volgens [gedaagde] blijkt uit het complete en ongelakte strafdossier met betrekking tot de zoon van [gedaagde]
( [zoon van gedaagde] ) en twee andere verdachten dat dit onjuist is.
Daarom heeft de kantonrechter [gedaagde] bevolen om dit strafdossier in het geding te brengen, wat [gedaagde] bij akte van 5 juni 2024 heeft gedaan. Vervolgens heeft Laurentius daar bij antwoordakte van 3 juli 2024 op gereageerd. De kantonrechter zal nu – zoals aangekondigd in het tussenvonnis van 15 mei 2024 in onderdeel 4.5. – verder beslissen in deze zaak.
2.2.
Uit het strafdossier volgt onder meer het volgende. Vanaf 10 januari 2023 zijn de twee andere verdachten in de strafzaak geobserveerd door de politie naar aanleiding van een MMA melding over woninginbraken in [plaats 2] . Tijdens die observaties is het vermoe-den ontstaan dat deze twee verdachten handelen in drugs. (Pas) op 31 januari 2023 komt [zoon van gedaagde] bij dit politieonderzoek in beeld, doordat er op die datum in de [straat] in [plaats 1] een ontmoeting plaatsvindt tussen de twee andere verdachten en [zoon van gedaagde] .
De eerstvolgende keer dat [zoon van gedaagde] tijdens dit politieonderzoek weer wordt waargenomen is bij de gebeurtenissen op 6 februari 2023 die zijn beschreven in het tussenvonnis van 15 mei 2024. Dat is dus de enige observatie die bij het gehuurde is gedaan en uit het politiedossier blijkt ook niet dat op andere wijze is vastgesteld dat er (vóór 6 februari 2023) vanuit het gehuurde postpakketten met verdovende middelen zijn samengesteld en per postpakket-dienst zijn verzonden.
2.3.
Uit het strafdossier blijken wel andere aanwijzingen voor handel in drugs door [zoon van gedaagde] , bijvoorbeeld bepaalde chatgesprekken en foto’s uit zijn telefoon en in zijn auto gevonden facturen van verpakkingsmateriaal, maar daarbij heeft de kantonrechter geen link met het gehuurde aangetroffen.
2.4.
Wel was er een tweetal MMA meldingen over het gehuurde in november 2021 en juni 2022. Daarin wordt (anoniem) melding gemaakt van drugshandel vanuit het gehuurde, maar deze meldingen zijn niet (verder) onderzocht. Bovendien staat bij de melding van 2 juni 2022 (zie pagina 109 van het politiedossier) dat [voorletter] (
opmerking kantonrechter: bedoeld is [naam] ) niet kan instaan voor de juistheid van de gemelde gegevens en dat de ontvanger een en ander dient te onderzoeken en te combineren met aanvullende informatie om tot rechtmatige bevindingen te komen. Daarom kan naar het oordeel van de kanton-rechter ook niet op grond van deze enkele meldingen worden vastgesteld dat er vanuit het gehuurde postpakketten met verdovende middelen werden samengesteld en per postpakket-dienst werden verzonden.
2.5.
Gelet op het voorgaande is er slechts een vermoeden dat [zoon van gedaagde] al vóór 6 februari 2023 vanuit het gehuurde postpakketten met verdovende middelen samenstelde en per postpakketdienst verzond. Dat oordeelt de kantonrechter onvoldoende, mede gelet op de ingrijpende gevolgen die dat voor [gedaagde] kan hebben. Dit was (mogelijk) anders geweest als dit vermoeden zou zijn bevestigd, bijvoorbeeld doordat de politie ook op andere momenten dan op 6 februari 2023 zou hebben geconstateerd dat [zoon van gedaagde] drugs het gehuurde binnenbracht of met drugs uit het gehuurde vertrok. Dat is echter niet het geval.
2.6.
Nu zijn de gebeurtenissen op 6 februari 2023 de enige vastgestelde drugslink met het gehuurde en daarvan heeft de kantonrechter al in het tussenvonnis van 15 mei 2024 overwogen dat het voldoende aannemelijk is dat [gedaagde] niet wist dat er op 6 februari 2023 drugs met toebehoren in de schuur van het gehuurde lagen opgeslagen en dat in de gegeven omstandigheden de buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst op enkel deze grond mogelijk misbruik van bevoegdheid zou opleveren of naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.
2.7.
De kantonrechter ziet onvoldoende aanleiding om hierop terug te komen. Weliswaar stond in de schuur ook een vacumeermachine, maar uit de foto’s uit het politiedossier blijkt dat dit een kleine, mobiele machine is, waarvan niet valt uit te sluiten dat die pas op 6 februari 2023 door [zoon van gedaagde] in de schuur van het gehuurde is geplaatst. Verder staat op pagina 283 van het politiedossier dat een verbalisant op basis van zijn bevindingen in de schuur het (sterke) vermoeden heeft dat [gedaagde] op de hoogte moet zijn geweest van de praktijken van haar zoon, maar dat is niet meer dan een persoonlijk vermoeden van de betreffende verbalisant en is in het strafdossier niet vastgesteld.
2.8.
Nu niet in voldoende mate is komen vast te staan dat [zoon van gedaagde] (vóór 6 februari 2023) vanuit het gehuurde postpakketten met verdovende middelen samenstelde en per postpakketdienst verzond, valt [gedaagde] naar het oordeel van de kantonrechter ook geen verwijt te maken over het feit dat er op 6 februari 2023 drugs met toebehoren in het door haar gehuurde zijn aangetroffen. Samen met de overige omstandigheden van het geval zoals beschreven in onderdeel 4.4. van het tussenvonnis van 15 mei 2024 ( [gedaagde] woont al ruim 20 jaar in het gehuurde, uit schriftelijke verklaringen van omwonenden volgt dat zij geen bezwaar hebben tegen een voortzetting van de huurovereenkomst en [zoon van gedaagde] verblijft niet meer in het gehuurde en staat daar ook niet meer ingeschreven), brengt dat naar het oordeel van de kantonrechter mee dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om de huurovereenkomst ontbonden te verklaren dan wel te ontbinden en om [gedaagde] te veroordelen tot ontruiming van het gehuurde. Daarom zullen de vorderingen van Laurentius worden afgewezen.
2.9.
Laurentius is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [gedaagde] betalen. Die kosten worden vastgesteld op € 510,00 (2,5 punt x € 204,00) aan salaris gemachtigde. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
2.10.
Volgens vaste rechtspraak levert een kostenveroordeling ook voor de door [gedaagde] gevraagde nakosten een executoriale titel op. Dit betekent dat als [gedaagde] na deze uitspraak ook nog daadwerkelijk kosten zou moeten maken (de nakosten), Laurentius daarvoor nog een bedrag zal moeten betalen van € 102,00. Hier kan nog een bedrag bijkomen voor de eventuele betekening van de uitspraak. In dit vonnis hoeft hierover geen aparte beslissing te worden genomen (zie ook de uitspraak van de Hoge Raad van 10 juni 2022, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:HR: 2022:853).
In voorwaardelijke reconventie
2.11.
Omdat niet aan de voorwaarde is voldaan, zal de voorwaardelijke reconventie niet verder behandeld worden en zal de kantonrechter daarop (dus) ook geen beslissing nemen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
in conventie
3.1.
wijst de vorderingen van Laurentius af;
3.2.
veroordeelt Laurentius in de proceskosten van € 510,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
3.3.
veroordeelt Laurentius tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van Pro het Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald.
Dit vonnis is gewezen door mr. Sierkstra en is in het openbaar uitgesproken op 11 september 2024.