De gecertificeerde instelling (GI) verzocht de kinderrechter om de omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige, vastgesteld bij beschikking van 12 januari 2022, te wijzigen door de omgang stop te zetten. Deze omgangsregeling gaf de vader recht op omgang met de minderjarige één weekend per veertien dagen.
De minderjarige woont bij de moeder, die het ouderlijk gezag heeft. De minderjarige is sinds 8 augustus 2022 onder toezicht gesteld van de GI, met verlengingen tot 8 augustus 2024.
Tijdens de mondelinge behandeling op 1 augustus 2024, waarbij de vader niet aanwezig was, werd tevens een gerelateerde zaak behandeld waarin de voorlopige omgangsregeling definitief werd beëindigd. Hierdoor verloor de GI het belang bij haar verzoek tot wijziging van de omgangsregeling.
De kinderrechter besloot daarom het verzoek van de GI af te wijzen wegens gebrek aan belang. Tegen deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na uitspraak.