Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een administratieve boete opgelegd voor het parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats zonder duidelijk zichtbare geldige gehandicaptenparkeerkaart op 11 mei 2022. Betrokkene voerde aan dat de kaart wel aanwezig was, maar deels onzichtbaar doordat deze naar beneden was gezakt bij het dichtslaan van de deur.
De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond, maar de kantonrechter stelde vast dat de gedraging wel had plaatsgevonden, gebaseerd op de verklaring van de verbalisant en de foto waarop een gehandicaptenkaart lag, maar niet goed leesbaar was. De kantonrechter oordeelde echter dat betrokkene tijdig had gereageerd op het verzoek om beide zijden van de kaart te tonen, maar dat de officier van justitie dit te laat had verwerkt.
Hierdoor was sprake van schending van de hoorplicht en termijnoverschrijding, wat aanleiding gaf tot matiging van de boete. De boete werd gematigd tot nihil en de officier van justitie werd opgedragen het te veel betaalde bedrag van €319,- terug te betalen. Het beroep werd daarom gedeeltelijk gegrond verklaard.
Uitkomst: De boete voor parkeren zonder duidelijk zichtbare gehandicaptenparkeerkaart is gematigd tot nihil en het te veel betaalde bedrag wordt terugbetaald.