De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een verzoek van de man om vervangende toestemming te verkrijgen voor de erkenning van zijn minderjarige kind, alsmede verzoeken tot gezamenlijk gezag en het vaststellen van een omgangsregeling. De moeder gaf geen toestemming voor erkenning en verzocht de omgang voorlopig op te schorten vanwege zorgen over het gedrag van de man en zijn drugsgebruik.
De rechtbank stelde vast dat de man de biologische vader is en dat er geen juridische belemmeringen zijn voor erkenning. De financiële motieven van de moeder om geen toestemming te geven werden niet gevolgd. De rechtbank achtte het belang van de minderjarige gediend met juridische erkenning door de man.
Wat betreft het gezag en de omgang oordeelde de rechtbank dat er onvoldoende informatie is over de effecten van het gedrag van de man op de ontwikkeling van de minderjarige. Er is sprake van wantrouwen en slechte communicatie tussen partijen. Daarom worden deze verzoeken aangehouden en wordt de Raad voor de Kinderbescherming gevraagd een uitgebreid onderzoek te verrichten en hierover te rapporteren.
De rechtbank benadrukte dat beide ouders aan zichzelf moeten werken om de situatie te verbeteren in het belang van het kind. Een pro forma zitting is gepland op 25 februari 2025 om de verdere behandeling voort te zetten.