In deze zaak verzocht de man de rechtbank om de beschikking van 14 juni 2022 te wijzigen, waarin zijn vaderschap over de minderjarige was vastgesteld en alimentatie was opgelegd. De man betwistte zijn vaderschap en wilde afzien van de alimentatie en de kosten van een DNA-onderzoek. Tevens verzocht hij om vermindering van alimentatie wegens vermeende onjuiste uitgangspunten.
De rechtbank stelde vast dat het vaderschap in 2022 gerechtelijk was vastgesteld na een procedure waarbij de man niet aan een DNA-onderzoek meewerkte. De vrouw en de bijzondere curator betwistten dat er een juridische grondslag was voor wijziging van deze beschikking. De man en zijn advocaat konden geen specifiek wetsartikel aanvoeren, en het beroep op herroeping wegens bedrog werd verworpen wegens gebrek aan bewijs.
De rechtbank oordeelde dat de man geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd die wijziging rechtvaardigen. Het aanvullende verzoek tot wijziging van alimentatie werd wegens gebrek aan connexiteit afgesplitst en verwezen naar de sector Familie. De man werd niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoeken en veroordeeld in de proceskosten, waarbij de rechtbank de advocaat aansprakelijk stelde voor het ontbreken van een juridische grondslag.
De taak van de bijzondere curator werd als beëindigd beschouwd, met de mogelijkheid tot herleving bij het instellen van een rechtsmiddel.