ECLI:NL:RBZWB:2024:7271
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde en aanslag OZB woning te Vlissingen
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning te Vlissingen, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €477.000 per 1 januari 2021, en tegen de daarop gebaseerde aanslag onroerendezaakbelastingen (OZB) voor 2022. De rechtbank beoordeelde het beroep na behandeling op zitting waarbij belanghebbende niet aanwezig was.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar de waarde niet te hoog had vastgesteld. De waardebepaling was gebaseerd op de vergelijkingsmethode met drie referentiewoningen, die voldoende vergelijkbaar waren. Hoewel twee referentiewoningen iets ouder waren dan de éénjaarsperiode rond de waardepeildatum, achtte de rechtbank de indexering en ligging zwaarder wegen.
Belanghebbende stelde dat niet alle relevante stukken waren verstrekt en dat de uitspraak op bezwaar onvoldoende was gemotiveerd. De rechtbank verwierp deze formele bezwaren, stellende dat de heffingsambtenaar aan zijn informatieplicht had voldaan en het motiveringsbeginsel niet was geschonden.
De rechtbank concludeerde dat de heffingsambtenaar zijn bewijslast had voldaan en belanghebbende onvoldoende onderbouwing had geleverd voor een lagere waarde. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, waardoor de beschikking en aanslag in stand blijven en belanghebbende geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van €477.000 en aanslag OZB blijven in stand.