ECLI:NL:RBZWB:2024:7338
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek ambtshalve vermindering aanslag inkomstenbelasting box 3 2017
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2017, waarin zij werd belast in box 3 op basis van een forfaitair rendement. De inspecteur heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding en het verzoek om ambtshalve vermindering afgewezen.
De rechtbank heeft tijdens de zitting het onderzoek geschorst en aangehouden voor reactie van partijen, waarna het onderzoek is gesloten zonder nader onderzoek. De kern van het geschil is of de inspecteur terecht heeft geweigerd de aanslag ambtshalve te verminderen op grond van artikel 9.6 Wet IB 2001 en artikel 45aa Uitvoeringsregeling IB 2001.
De rechtbank overweegt dat de aanslag onherroepelijk is vastgesteld op 9 juli 2018, vóór de nieuwe jurisprudentie van de Hoge Raad van 24 december 2021 die rechtsherstel voorschrijft voor belastingplichtigen die te veel box 3-heffing hebben betaald. Omdat de onjuistheid van de aanslag voortvloeit uit deze nieuwe jurisprudentie, kan ambtshalve vermindering niet worden toegekend. Ook het beroep op algemene beginselen van behoorlijk bestuur en internationale grondrechten leidt niet tot vermindering. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat geen sprake is van een individuele en buitensporige last in de zin van artikel 1 Eerste Pro Protocol EVRM.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en belanghebbende krijgt geen teruggaaf van griffierecht of proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag inkomstenbelasting box 3 2017 wordt ongegrond verklaard.