Belanghebbende heeft voor het jaar 2021 in zijn aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) specifieke zorgkosten opgevoerd van € 23.773, waarvan de inspecteur slechts € 1.249 heeft geaccepteerd. Belanghebbende ging in bezwaar tegen deze vaststelling, maar dit bezwaar werd door de inspecteur afgewezen.
De rechtbank heeft het beroep behandeld en beoordeeld of de inspecteur de aftrek van specifieke zorgkosten ten onrechte te laag heeft vastgesteld. De rechtbank stelt dat belanghebbende onvoldoende bewijs heeft geleverd om de hogere aftrekbedragen aannemelijk te maken. Zo is niet aangetoond dat medicijnen op doktersvoorschrift zijn verstrekt, hulpmiddelen hoofdzakelijk door zieken worden gebruikt, vervoerskosten daadwerkelijk zijn gemaakt, en dat extra uitgaven voor kleding en beddengoed hoger zijn dan het forfaitaire bedrag.
Ook de kosten voor pedicure en bepaalde behandelingen vallen niet onder aftrekbare genees- en heelkundige hulp. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur het wettelijk kader juist heeft toegepast en niet subjectief of te streng heeft gehandeld.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, de aanslag blijft ongewijzigd en de belastingrente blijft van toepassing. Belanghebbende krijgt geen griffierecht of proceskosten vergoed.