De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 5 november 2024 een kort geding over de voorlopige toevertrouwing en zorg- en contactregeling van een minderjarig kind na het beëindigen van de relatie tussen de ouders.
De vrouw vorderde dat de minderjarige voorlopig aan haar wordt toevertrouwd en dat een zorg- en contactregeling wordt vastgesteld, waarbij geleidelijk contact tussen de vader en het kind wordt opgebouwd. De man erkende het kind en was het eens met de voorlopige toevertrouwing, maar wilde een regeling die rekening houdt met zijn werk en financiële situatie.
De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde frequenter contact dan eenmaal per veertien dagen vanwege de jonge leeftijd van het kind en het belang van een goede hechtingsrelatie. Tijdens de mondelinge behandeling bereikten partijen afspraken over een gefaseerde zorgregeling met contactmomenten op zondag, uitbreiding naar weekenden en specifieke regelingen voor Kerst en Oud & Nieuw.
De voorzieningenrechter stelde de voorlopige toevertrouwing aan de vrouw vast en legde de zorg- en contactregeling vast conform de afspraken, met het oog op het belang van het kind en de adviezen van de Raad. De regeling is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de proceskosten zijn ieder voor eigen rekening toegewezen.