Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.[eiser 1] ,
[eiser 2],
1.De procedure
- het tussenvonnis van 1 november 2023 en alle daarin reeds genoemde stukken;
- de akte houdende producties 22 tot en met 28, tevens wijziging van eis, zijdens [eiser 1] en [eiser 2] ;
- de akte uitlating producties, tevens akte overlegging aanvullende producties 16 tot en met 23 zijdens [gedaagde] ;
- de zittingsaantekeningen van de mondelinge behandeling d.d. 14 maart 2024 en de bij die gelegenheid door de raadslieden van beide partijen voorgedragen spreekaantekeningen.
2.Het geschil
3.De beoordeling
(Verordening (EG) Nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (“Rome I”). Hierdoor wijst ook artikel 9 Rome Pro I Nederlands recht aan, aldus [eiser 1] en [eiser 2] .
De rechtsgeldigheid van een privaatrechtelijke rechtshandeling van een instelling als bedoeld in artikel 1a, tweede lid, welke is verricht in strijd met de bij of krachtens deze wet gestelde regels is niet uit dien hoofde aantastbaar.Nu de Wwft zelf bepaalt dat een privaatrechtelijke rechtshandeling (zoals de onderhavige overeenkomsten tussen [gedaagde] enerzijds en anderzijds [eiser 1] en [eiser 2] ) niet aantastbaar is, geldt dat ook op deze grond in dit geval van nietigheid geen sprake kan zijn. De rechtbank volgt hierbij het standpunt van [gedaagde] dat artikel 36 Wwft Pro gelet op de ratio van dit artikel niet alleen geldt voor privaatrechtelijke rechtshandelingen waarbij banken partij zijn.
€ 178,00(plus de verhoging als in het dictum vermeld)