ECLI:NL:RBZWB:2024:7629

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
7 november 2024
Publicatiedatum
7 november 2024
Zaaknummer
BRE 23/9805 en BRE 23/9806
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9.6 Wet inkomstenbelasting 2001Art. 45aa Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001Art. 58 lid 1 Wet financiering sociale verzekeringenArt. 60 Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 6:11 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek ambtshalve vermindering aanslagen inkomstenbelasting 2014 en 2015 wegens overschrijding vijfjaarstermijn

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2014 en 2015. De inspecteur verklaarde deze bezwaren niet-ontvankelijk vanwege overschrijding van de bezwaartermijn en wees de verzoeken om ambtshalve vermindering af wegens overschrijding van de wettelijke vijfjaarstermijn.

De rechtbank behandelde de beroepen op 26 september 2024, waarbij gemachtigde van belanghebbende niet aanwezig was. De verzoeken om ambtshalve vermindering waren ingediend op 23 november 2021, terwijl de vijfjaarstermijn voor 2014 en 2015 respectievelijk op 31 december 2019 en 31 december 2020 was verstreken.

Belanghebbende voerde geen concrete argumenten aan om de termijnoverschrijding als verschoonbaar aan te merken. De rechtbank oordeelde dat de vijfjaarstermijn wettelijk geoorloofd is en dat de inspecteur de verzoeken terecht heeft afgewezen. Hierdoor kwam de rechtbank niet toe aan inhoudelijke beoordeling van de verzoeken of de bijbehorende belastingrentebeschikking.

De beroepen werden ongegrond verklaard, zonder toekenning van griffierechtteruggave of proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond wegens overschrijding van de vijfjaarstermijn en wijst de verzoeken om ambtshalve vermindering af.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 23/9805 en BRE 23/9806

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2024 in de zaken tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] (Letland), belanghebbende,

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de beslissingen van de inspecteur op de verzoeken om ambtshalve vermindering van 15 augustus 2023.
1.1.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor de jaren 2014 en 2015. De inspecteur heeft de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de bezwaartermijn en vervolgens heeft hij beslist de aanslagen niet ambtshalve te verminderen vanwege overschrijding van de vijfjaarstermijn. De beroepen van belanghebbende richten zich alleen tegen deze tweede beslissing: de uitspraak op bezwaar over de afwijzing van de verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen IB/PVV 2014 en 2015.
1.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 26 september 2024 op zitting behandeld. Namens de inspecteur zijn mr. drs. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] verschenen. Namens belanghebbende is niemand verschenen. Gemachtigde heeft kort voor de zitting de rechtbank telefonisch geïnformeerd dat hij de start van de zitting om 10.00 uur niet ging halen. De rechtbank heeft geen verzoek om verdaging ontvangen, heeft even gewacht met de start van de zitting maar gemachtigde heeft zich niet gemeld. De zitting heeft daarom met afwezigheid van gemachtigde plaatsgevonden.

Beoordeling door de rechtbank

2. Een verzoek om ambtshalve vermindering van een belastingaanslag moet worden gedaan binnen vijf jaar na het einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft (de vijfjaarstermijn). [1] De brieven van gemachtigde aan de inspecteur van 23 november 2021 kunnen worden opgevat als verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen IB/PVV 2014 en 2015.
2.1.
De vijfjaarstermijn eindigde voor het jaar 2014 op 31 december 2019 en voor het jaar 2015 op 31 december 2020. De verzoeken van 23 november 2021 zijn dus te laat ingediend. Dit betekent dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de inspecteur de verzoeken terecht heeft afgewezen. Dat is slechts anders indien de overschrijding van de vijfjaarstermijn ‘verschoonbaar’ is. [2]
2.2.
Een termijnoverschrijding is verschoonbaar als belanghebbende redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt voor de termijnoverschrijding. Ook nadat de inspecteur in het verweerschrift nogmaals de aandacht heeft gevraagd voor de termijnoverschrijding, is namens belanghebbende niets concreets aangevoerd op dit punt in de conclusie van repliek. De rechtbank lijkt uit de stukken op te maken dat (mogelijk) namens belanghebbende is gesteld dat aan een verzoek om ambtshalve vermindering überhaupt geen termijn mag worden verbonden en, zo begrijpt de rechtbank, dat dit dan tot verschoonbaarheid zou moeten leiden. Naar het oordeel van de rechtbank is de wetgever binnen zijn bevoegdheid gebleven met de vijfjaarstermijn voor dergelijke verzoeken en slaagt deze grond niet.
2.3.
Gelet op hetgeen in 2.2 is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur de verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen IB/PVV 2014 en 2015 terecht heeft afgewezen. Dit betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de verzoeken om ambtshalve vermindering van deze aanslagen en de bij de aanslag IB/PVV 2015 behorende belastingrentebeschikking.

Conclusie en gevolgen

3. De beroepen zijn ongegrond. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 7 november 2024 door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. C.C. van den Berg, griffier. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 9.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 in samenhang met artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 en artikel 58, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen.
2.Artikel 60 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen in samenhang met artikel 6:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.