Eiser heeft beroep ingesteld tegen het UWV omdat het niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist op zijn bezwaar tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een WIA-uitkering van 5 december 2023. De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat het UWV uiterlijk op 19 juli 2024 had moeten beslissen, maar dit niet heeft gedaan. Eiser heeft het UWV op 29 juli 2024 ingebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken verstreken zonder besluit.
De rechtbank bepaalt dat het UWV alsnog binnen een redelijke termijn moet beslissen. Gezien de omstandigheden, waaronder het tekort aan verzekeringsartsen waardoor een spreekuur nog niet heeft kunnen plaatsvinden, acht de rechtbank een termijn van vier maanden redelijk om het bezwaar te heroverwegen en een besluit te nemen.
Daarnaast legt de rechtbank het UWV een dwangsom op van €100 per dag dat de beslissing uitblijft, met een maximum van €15.000. Het UWV wordt ook veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht van €51 en proceskosten van €437,50 aan eiser. De uitspraak is gedaan door rechter Josten en griffier Hooghiemstra op 5 november 2024.