ECLI:NL:RBZWB:2024:7647

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 november 2024
Publicatiedatum
8 november 2024
Zaaknummer
24/3180
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:31b Apv Schouwen-Duiveland 2015Art. 1:8 Apv Schouwen-Duiveland 2015Art. 2.1 lid 1 onder 1 WaboArt. 2.2aa Besluit omgevingsrechtWet natuurbescherming
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen vergunning voor commercieel sporten op strand ongegrond wegens toetsingskader

Eisers, natuurorganisaties, maakten bezwaar tegen de vergunning die het college van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland verleende voor het organiseren van commerciële sport- en spelactiviteiten op het strand bij Westenschouwen. Het college verleende de vergunning op grond van artikel 5:31b van de Algemene plaatselijke verordening (Apv) Schouwen-Duiveland 2015, welke een vergunningsplicht bevat zonder specifieke weigeringsgronden.

De rechtbank oordeelde dat de Apv alleen algemene weigeringsgronden kent, zoals openbare orde, veiligheid, volksgezondheid en bescherming van het milieu, waarbij het begrip milieu zich beperkt tot het woon- en leefklimaat van mensen en niet tot natuurwaarden. Eisers stelden dat het college meer onderzoek had moeten doen naar de bestemmingen en natuurwaarden, en dat het college had moeten toetsen aan de Wet natuurbescherming en het gemeentelijk, provinciaal en rijksbeleid ter bescherming van natuur.

De rechtbank verwierp deze gronden omdat de vergunning niet onder het stelsel van de Wabo valt en er geen wettelijke grond is om natuurwaarden mee te wegen bij een Apv-vergunning. De rechtbank bevestigde dat aanvullende bescherming van natuur via de Apv niet mogelijk is vanwege de uitputtende regeling in de Wet natuurbescherming. Ook het beleid gericht op natuur kon niet als weigeringsgrond gelden.

De rechtbank concludeerde dat het college de vergunning op goede gronden heeft verleend en dat een andere locatie vanwege natuurbescherming geen reden is om de vergunning te weigeren. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht.

Uitkomst: Het beroep van natuurorganisaties tegen de vergunning voor commerciële sportactiviteiten op het strand is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/3180

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 november 2024 in de zaak tussen

Natuur- en Vogelwacht Schouwen-Duiveland, uit Serooskerke, en
Stichting Duinbehoud, uit Leiden, eisers
(gemachtigde: [gemachtigde 1] en drs. [gemachtigde 2]),
en

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schouwen-Duiveland

(gemachtigde: [gemachtigde 3]).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Klimbos Zeeland Westenschouwen B.V. uit Burgh-Haamstede (het Klimbos).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de verlening van een vergunning om beroepsmatig sport- en spelactiviteiten te organiseren op het strand bij Westenschouwen.
1.1.
Het college heeft deze vergunning met het besluit van 16 augustus 2023 verleend. Met het bestreden besluit van 8 februari 2024 op het bezwaar van eisers heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard en de vergunning in stand gelaten.
1.2.
Eisers hebben tegelijkertijd met het beroepschrift een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Dit is ingetrokken na de toezegging om een bepaald gedeelte van het strand nog niet te gebruiken voor beroepsmatig georganiseerde sport- en spelactiviteiten.
1.3.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 16 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van het college, [gemachtigde 1] namens eisers en [naam 1] en [naam 2] namens het Klimbos.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of het college de vergunning op goede gronden heeft verleend. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wettelijk kader
4. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Inhoudelijke beoordeling
Toetsingskader
5. De bestreden vergunning is verleend op grond van artikel 5:31b van de Algemene plaatselijke verordening Schouwen-Duiveland 2015 (Apv). Hierin wordt het verboden om zonder vergunning van het college in de uitoefening van een beroep of bedrijf sportactiviteiten op het strand te organiseren. Dit artikel bevat uitsluitend de vergunningsplicht en geen weigeringsgronden. Dat betekent dat teruggevallen moet worden op de algemene weigeringsgronden van artikel 1:8 Apv Pro.
Het college kan de vergunning weigeren in het belang van:
a. de openbare orde;
b. de openbare veiligheid;
c. de volksgezondheid;
d. de bescherming van het milieu;
e. als de aanvraag minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.
De rechtbank zal toetsen of het college de vergunning op goede gronden heeft verleend of dat de vergunning op grond van deze weigeringsgronden had moeten worden geweigerd.
Had het college meer onderzoek moeten doen naar de meerdere bestemmingen?
6. Eisers stellen, met verwijzing naar het advies van de commissie bezwaarschriften, dat het college meer onderzoek had moeten doen naar de verschillende bestemmingen die op het perceel liggen. Eén van de bestemmingen is het behoud en versterking van natuurwaarden.
6.1
Deze beroepsgrond slaagt niet. Strijd met het bestemmingsplan is geen weigeringsgrond als genoemd in art. 1:8 Apv Pro. Welke bestemmingen de gronden hebben naast de bestemming recreatiestrand, is daarom niet relevant. Dit kan niet leiden tot weigering van de vergunning.
Had het college eerst een toets op grond van de Wet natuurbescherming uit moeten voeren?
7. Eisers stellen dat het college de vergunning niet had mogen verlenen omdat dit in strijd is met de natuurwaarden, meer specifiek het voorzorgbeginsel.
7.1
Deze beroepsgrond slaagt niet. Er is geen juridische grond om de vergunning op grond van de Wet natuurbescherming aan te laten haken bij de bestreden vergunning op grond van de Apv. De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bepaalt in welke gevallen de vergunning op grond van de Wet natuurbescherming aanhaakt bij de omgevingsvergunning. [1] In dit geval is echter geen omgevingsvergunning verleend, maar een vergunning op basis van de Apv die niet onder het stelsel van de Wabo valt, zodat de aanhaakplicht niet geldt. Het college hoefde daarom ook niet te toetsen aan de Wet natuurbescherming.
Had het college moeten weigeren wegens strijd met het beleid?
8. Eisers stellen dat de vergunning is verleend in strijd met het eigen gemeentelijk beleid, het provinciaal beleid en het rijksbeleid. Het betreft hier namelijk een beschermd natuurgebied en daar heeft het college ten onrechte geen rekening mee gehouden.
8.1
Het college stelt met verwijzing naar de Beleidsnota ‘Zonering en Ontwikkelingskader Strand 2012’(de Beleidsnota) dat het strandgedeelte waarvoor vergunning is verleend (Domeinen 2 tot en met Speelduin) als familie/sportstrand is aangewezen. Volgens het beleid kan hier een vergunning worden verleend voor laag risico-activiteiten zoals in dit geval.
8.2
Deze beroepsgrond slaagt niet
.Eisers bestrijden niet dat de vergunning in overeenstemming is met de Beleidsnota. De vergunning wordt door hen in strijd geacht met de natuurwaarden die het bestemmingsplan aan de gronden toekent, het versterken van natuurwaarden zoals de Zeeuwse Kustvisie de gronden toeschrijft, de aanduiding ‘Natuurstrand bij de Omgevingsverordening Zeeland 2018, het landelijke kustpact en de Nationale Omgevingsvisie. Het gaat daarbij telkens om het veiligstellen van de natuurwaarden van de kustzone.
8.3
De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het college de vergunning mocht weigeren wegens het natuurbelang. Dit is niet één van de weigeringsgronden uit art. 1:8 Apv Pro. Een weigeringsgrond waar het mogelijk onder zou kunnen vallen is de bescherming van het milieu. Naar het oordeel van de rechtbank ziet het begrip “bescherming van het milieu” zoals in de Apv opgenomen, -anders dan eisers menen- niet op de bescherming van het milieu in relatie tot natuur maar op de bescherming van het woon- en leefklimaat van mensen. Dit blijkt onder andere uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS). [2] In deze uitspraak is overwogen dat de Flora- en faunawet (daarna Wet natuurbescherming) verbodsbepalingen bevat om in het wild voorkomende beschermde inheemse diersoorten, waaronder vogels, en hun natuurlijke leefomgeving te beschermen. Deze wet beoogt de instandhouding en het welzijn van in het wild voorkomende beschermde inheemse diersoorten uitputtend te regelen. Dit geldt evenzeer voor instandhouding van natuurgebieden, en in het bijzonder Natura-2000 gebieden.
Doordat deze regelingen uitputtend zijn, kan aanvullende bescherming via de Apv niet geboden worden. Dat zou leiden tot strijd met deze nationale regelgeving. Het college mocht daarom niet te toetsen aan regelgeving en beleid van hogere overheden met betrekking tot de natuur en moest zich houden aan het toetsingskader dat is gericht op het waarborgen van de openbare orde, de openbare veiligheid en de bescherming van het woon- en leefmilieu. Dat heeft het college gedaan. Het college is op goede gronden tot de slotsom gekomen dat hij de vergunning niet kon weigeren met het oog op de bescherming van de natuur.
Moest het college de activiteit op een andere locatie vergunnen?
9. Eisers geven aan dat er minder overlast zou zijn voor de natuur als de activiteiten plaats zouden vinden op een echt recreatiestrand.
9.1
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit bovenstaande overwegingen is gebleken dat er geen gronden zijn waarop het college de vergunning op de vergunde locatie kon weigeren. Dat een andere strandlocatie uit het oogpunt van natuurbescherming mogelijk beter is, leidt niet tot het oordeel dat de vergunning, op basis van de aanvraag die leidend is, niet verleend had mogen worden.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond omdat het college de vergunning moest verlenen. Er is geen sprake van gronden waarop het college de vergunning mocht of kon weigeren. Er is daarom ook geen aanleiding voor een vergoeding van het griffierecht.

Besluit

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr.dr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr.drs. R.J. Wesel, griffier op 13 november 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene plaatselijke verordening Schouwen-Duiveland 2015
Artikel 1:8 Weigeringsgronden Pro
1. Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van:
a. de openbare orde;
b. de openbare veiligheid;
c. de volksgezondheid
d. de bescherming van het milieu
2.a. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.
2.b. Een vergunning voor een vergunningplichtig evenement kan worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan acht weken voor de beoogde datum van het evenement is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.
Artikel 5:31b Sportactiviteiten op het strand
1. Onder sportactiviteiten op het strand worden verstaan: balsporten, daaronder begrepen voetbal en volleybal, of daaraan gerelateerde sporten, zeskamp, vliegersport en overige sporten, die op het strand plegen te worden beoefend.
2. Het is verboden zonder vergunning van het college in de uitoefening van een beroep of bedrijf sportactiviteiten op het strand te organiseren.

Voetnoten

1.Artikel 2.1, lid 1 onder 1 van de Wabo in samenhang met artikel 2.2aa van het Besluit omgevingsrecht.
2.ABRvS, 17 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1855.