De zaak betreft een verzoek van Jeugdbescherming Brabant om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige te verlengen. De kinderrechter heeft eerder de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing verlengd tot 1 november 2024. De GI verzocht verlenging voor negen maanden, terwijl de Raad voor de Kinderbescherming een kortere termijn van vier tot vijf maanden voorstelde. De ouders en grootouders waren verdeeld over de noodzaak van verlenging, waarbij de moeder en vader pleitten voor afwijzing of een korte verlenging.
De kinderrechter constateert positieve ontwikkelingen in de situatie van de minderjarige en de betrokkenen, waaronder een verbeterde samenwerking tussen ouders en grootouders en het opstellen van een ouderschapsplan. De behandeling bij de gezinstherapeut is afgesloten vanwege behaalde doelen. Desondanks acht de kinderrechter het noodzakelijk om de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing nog twee maanden te verlengen om een geleidelijke overgang naar het vrijwillig kader mogelijk te maken en verdere monitoring van de hulpverlening te waarborgen.
De kinderrechter wijst het verzoek om verlenging voor de resterende vijf maanden af en benadrukt dat er geen netwerkscreening bij de grootouders hoeft plaats te vinden. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard vanwege het belang voor de ontwikkeling van de minderjarige. Hoger beroep kan binnen drie maanden worden ingesteld.