Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedure
- het verzoekschrift ex artikel 29f van het Wetboek van Strafvordering (Sv) ontvangen op de griffie op 11 september 2024;
- de schriftelijke reactie van de officier van justitie.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 22 oktober 2024 een verzoek op grond van artikel 29f Wetboek van Strafvordering van de verzoeker, die bezwaar maakte tegen het uitblijven van een beslissing na inbeslagname van zijn telefoon in een zedenzaak op 4 augustus 2024.
De verzoeker stelde dat de redelijke termijn was overschreden en dat het gebrek aan informatie hem, mede vanwege zijn autisme, zwaar viel. Zijn raadsman verzocht de zaak te beëindigen of subsidiair aan te houden.
De officier van justitie stelde dat het onderzoek nog in volle gang was en dat verstrekking van stukken op dit moment niet mogelijk was. De rechtbank oordeelde dat het tijdsverloop van 13 weken in een zedenonderzoek niet onredelijk is en dat het belang van de verzoeker niet opweegt tegen het belang van het onderzoek.
Daarom wees de rechtbank het verzoek af en zag geen aanleiding tot aanhouding of beëindiging van de zaak.
Uitkomst: Het verzoek op grond van artikel 29f Wetboek van Strafvordering wordt afgewezen omdat het onderzoek nog gaande is en het tijdsverloop niet onredelijk is.