De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging voor betrokkene, geboren in 1982, met een psychische stoornis. Na een eerste aanhouding wegens het niet openen van de deur, vond de mondelinge behandeling plaats op het woonadres van betrokkene. Betrokkene gaf aan dat het beter met haar ging dankzij eerdere klinische behandeling, maar stond sceptisch tegenover het verzoek.
De zorgverlener stelde dat voortgezette verplichte zorg noodzakelijk is om terugval te voorkomen, met name medicatie, bewegingsbeperking, opname en beperkingen in het eigen leven. De advocaat van betrokkene stelde dat verplichte zorg niet langer noodzakelijk is, gezien haar medewerking en verbetering, en verzocht afwijzing of beperking van de machtiging.
De rechtbank oordeelde dat betrokkene lijdt aan ernstige psychische stoornissen die ernstig nadeel veroorzaken, waaronder levensgevaar en maatschappelijke teloorgang. Ondanks herstel en motivatie is er onvoldoende duurzame bereidheid om consequent mee te werken, en bestaat risico op terugval. Daarom is verplichte zorg nodig, maar beperkt tot het toedienen van medicatie, bewegingsbeperking en opname in accommodatie, voor een periode van twaalf maanden met opname beperkt tot maximaal twee maanden.
Minder bezwarende alternatieven zijn niet beschikbaar, en de toegewezen zorg is evenredig en effectief. De rechtbank wees het meer of anders verzochte af. De beschikking is op 11 november 2024 mondeling gegeven en op 19 november schriftelijk vastgesteld.