De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 11 november 2024 het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging voor betrokkene, geboren in 2001, die lijdt aan een schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen. Betrokkene was opgenomen in een GGZ-instelling en verzocht om ontslag, terwijl de officier van justitie verplichte zorg wilde voortzetten.
Tijdens de zitting werden betrokkene, een psychiater en een verpleegkundige gehoord. De psychiater gaf aan dat betrokkene nog steeds zorg nodig heeft vanwege ernstig nadeel veroorzaakt door haar stoornis, ondanks een voorzichtig positieve ontwikkeling. Betrokkene ervaart de opname als vervelend en wil terug naar huis, maar vertoont onvoldoende intrinsieke bereidheid om vrijwillig mee te werken aan noodzakelijke zorg.
De rechtbank concludeerde dat verplichte zorg noodzakelijk is om ernstig lichamelijk letsel, materiële schade en gevaar voor de veiligheid te voorkomen. De zorgmachtiging wordt verleend voor zes maanden, waarbij alleen bepaalde vormen van zorg worden opgelegd, zoals het beperken van de vrijheid en het gebruik van communicatiemiddelen. Andere gevraagde zorgvormen werden afgewezen omdat deze niet noodzakelijk zijn.
De beslissing is mondeling gegeven en schriftelijk vastgelegd op 19 november 2024. Tegen deze beschikking staat cassatie open.