ECLI:NL:RBZWB:2024:8027

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 november 2024
Publicatiedatum
25 november 2024
Zaaknummer
C/02/427444 / FA RK 24-4690
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van de Kraats
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 34 Paspoortwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervangende toestemming voor aanvraag Nederlandse identiteitskaart minderjarige

De vrouw verzocht de rechtbank om vervangende toestemming te verlenen voor de aanvraag van een Nederlandse identiteitskaart voor haar minderjarige kind, aangezien de man, met wie zij gezamenlijk het ouderlijk gezag deelt, geen toestemming gaf en niet is verschenen bij de mondelinge behandeling. De identiteitskaart van het kind was verlopen, waardoor spoed geboden was.

De rechtbank stelde vast dat de man niet bereikbaar was en geen verweer had gevoerd. De vrouw had meerdere pogingen gedaan om toestemming te verkrijgen, maar zonder resultaat. De Raad voor de Kinderbescherming had geadviseerd dat het in het belang van het kind was om een geldige identiteitskaart te hebben.

De rechtbank oordeelde dat het verzoek gereed lag voor toewijzing en dat het belang van het kind zwaarder woog dan het ontbreken van toestemming van de vader. Daarom werd de vervangende toestemming verleend en de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat de moeder direct een nieuwe identiteitskaart kan aanvragen.

Uitkomst: De rechtbank verleent vervangende toestemming aan de moeder voor de aanvraag van een nieuwe Nederlandse identiteitskaart voor de minderjarige.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/427444 / FA RK 24-4690
datum uitspraak: 22 november 2024
Beschikking vervangende toestemming verkrijging identiteitskaart
in de zaak van
[de vrouw],
hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. T. van Riel te Breda,
tegen
[de man] ,
hierna te noemen: de man,
zonder bekende woon- en of verblijfplaats.
Betreffende de minderjarige:
[de minderjarige] ,geboren op [geboortedag] 2014 te [geboorteplaats] ,
Hierna te noemen: [de minderjarige] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1.Het procesverloop

1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
  • het op 1 oktober 2024 ontvangen verzoek met bijlagen;
  • een afschrift van de oproepingsbrief aan de man van 5 november 2024;
  • het F9-formulier van mr. Van Riel van 13 november 2024.
1.2
Het verzoek is behandeld tijdens de mondelinge behandeling op 19 november 2024. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
  • de vrouw met haar advocaat;
  • een medewerkster van de Raad.
1.3
De man is niet bij de mondelinge behandeling verschenen. De woonplaats van de man is onbekend. Middels een bij de vrouw bekend e-mailadres is de man opgeroepen voor de mondelinge behandeling. De rechtbank stelt vast dat het verzoek enige spoed heeft nu de identiteitskaart van [de minderjarige] reeds is verlopen. De rechtbank besluit daarop de mondelinge behandeling voort te zetten in afwezigheid van de man.
1.4.
De rechtbank heeft [de minderjarige] in de gelegenheid gesteld om zijn mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd ‘kindgesprek’. Hiervan heeft hij geen gebruik gemaakt. Volgens de vrouw heeft [de minderjarige] een brief gestuurd naar de rechtbank. De rechtbank constateert dat zij de brief van [de minderjarige] niet heeft ontvangen. De vrouw geeft aan dat [de minderjarige] wenst dat hij een nieuwe identiteitskaart krijgt, maar dat hij geen behoefte meer heeft aan een kindgesprek.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben met elkaar een affectieve relatie gehad. Uit deze relatie is [de minderjarige] geboren.
2.2.
[de minderjarige] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw.
2.3.
De man heeft [de minderjarige] erkend.
2.4.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .

3.Het verzoek

3.1
De vrouw verzoekt, bij gebreke van toestemming van de man, vervangende toestemming te verlenen voor het aanvragen van een Nederlandse identiteitskaart ten behoeve van voornoemde [minderjarige] . De vrouw verzoekt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Door de rechtbank is geen verweerschrift ontvangen. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de man geen verweer voert.
3.3.
Op het standpunt van de vrouw en het advies van de Raad wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van het verzoek, hierna ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Op grond van artikel 34, eerste lid, van de Paspoortwet wordt bij een aanvraag voor een reisdocument door of ten behoeve van een minderjarige een verklaring van toestemming overgelegd van iedere persoon die het gezag uitoefent. Blijkens het tweede lid van voormeld artikel kan, indien bij de gezamenlijke gezagsuitoefening één van de personen die het gezag uitoefent weigert een verklaring van toestemming als bedoeld in het eerste lid af te geven, deze op verzoek van de andere persoon die het gezag uitoefent, worden vervangen door een verklaring van de bevoegde rechter, die alvorens te beslissen een vergelijk tussen beide personen beproeft. Ingevolge het vijfde lid van artikel 34 van Pro de Paspoortwet geeft de rechtbank onder meer in de in het tweede lid bedoelde gevallen een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
4.2.
De rechtbank zal, nu de beproeving van een vergelijk tussen partijen vanwege de afwezigheid van de man bij de mondelinge behandeling niet mogelijk is gebleken, de door de vrouw verzochte vervangende toestemming op grond van artikel 34, tweede lid, Paspoortwet beoordelen.
4.3.
Door en namens de vrouw wordt in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling het navolgende aangevoerd. De Nederlandse identiteitskaart van [de minderjarige] was geldig tot 31 oktober 2024. Daarop anticiperend heeft de vrouw in augustus 2024 aan de man medegedeeld dat [de minderjarige] een nieuwe identiteitskaart nodig had met het verzoek aan de man om daarvoor (online) toestemming te geven. De vrouw heeft de man daarbij verwezen naar een specifiek webadres voor het indienen van toestemming middels een daartoe bestemd formulier. De man heeft aan de vrouw medegedeeld dat hij het formulier zou indienen. De vrouw heeft de man twee keer gerappelleerd. De man heeft tot op heden geen toestemming gegeven. De identiteitskaart van [de minderjarige] is inmiddels verlopen. De vrouw acht het noodzakelijk dat de rechtbank vervangende toestemming verleent voor de aanvraag van een nieuwe identiteitskaart, zodat de vrouw zo snel mogelijk een nieuwe identiteitskaart voor [de minderjarige] kan aanvragen. De Raad acht het eveneens noodzakelijk dat [de minderjarige] beschikt over een geldige identiteitskaart.
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat het verzoek van de vrouw voor toewijzing gereed ligt. Het is in het belang van [de minderjarige] dat hij zich kan legitimeren en het bezit van een identiteitskaart is ook noodzakelijk in regelmatig voorkomende situaties, zoals ziekenhuisbezoeken. Nu zijn huidige identiteitskaart is verlopen zal het verzoek, nu de man daartegen ook geen verweer heeft gevoerd, worden toegewezen.
4.5.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat de beslissing per direct moet worden gevolgd en dat een eventueel hoger beroep die beslissing niet schorst.
4.6.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
verleent aan de vrouw – ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de man – toestemming voor de aanvraag van een nieuwe Nederlandse identiteitskaart ten behoeve van [de minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2014 te [geboorteplaats] ;
5.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Kraats, en in het openbaar uitgesproken op 22 november 2024, in tegenwoordigheid van Van Dongen, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
verzonden op: