Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die door de heffingsambtenaar is vastgesteld op €492.000 per 1 januari 2022. Tevens is bezwaar gemaakt tegen de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor het jaar 2023, welke samenhangt met de WOZ-waarde.
De rechtbank heeft de zaak op 10 oktober 2024 behandeld, waarbij partijen hun standpunten hebben toegelicht. Belanghebbende stelde dat de waarde maximaal €425.000 zou moeten zijn, onder meer vanwege achterstallig onderhoud, gedateerde voorzieningen en een slecht onderhouden omgeving. De heffingsambtenaar verdedigde de waarde met een taxatiematrix gebaseerd op vergelijkingsmethodiek met referentiewoningen.
De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar voldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe rekening is gehouden met verschillen tussen de woning en referentiewoningen, inclusief correcties voor onderhoud en voorzieningen. Belanghebbende heeft onvoldoende onderbouwd dat de waardering te hoog is. Ook de stijging van 27,5% ten opzichte van het voorgaande jaar kan niet leiden tot een lagere waarde, omdat de WOZ-waarde jaarlijks wordt bepaald op basis van actuele feiten.
Gelet op deze overwegingen verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en handhaaft zij de WOZ-waarde en aanslag OZB. Vanwege een communicatiefout vergoedt de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende.