Op 21 februari 2024 publiceerden drie waterschappen gezamenlijk een Europese aanbesteding voor slibtransport, verdeeld in drie percelen. Vakutrans en [B.V.] schreven in op alle percelen. Op 23 mei 2024 werd het voornemen geuit om de percelen aan [B.V.] te gunnen vanwege de beste prijs-kwaliteitverhouding. Vakutrans maakte bezwaar tegen dit voornemen, stellende dat [B.V.] abnormaal lage prijzen hanteerde en niet voldeed aan de verplichting tot tijdige publicatie van jaarrekeningen.
De rechtbank oordeelde dat Waterschap De Dommel onvoldoende had onderzocht en gemotiveerd waarom de inschrijving van [B.V.] niet abnormaal laag was, maar dat het onderzoek dat wel plaatsvond voldoende was. Wel stelde de rechtbank vast dat [B.V.] de jaarrekeningen van 2021 en 2022 niet tijdig had gedeponeerd, wat een ernstige beroepsfout kan zijn. Omdat de continuïteitseis niet expliciet in de aanbestedingsleidraad was opgenomen, was uitsluiting op die grond niet automatisch vereist, maar het niet tijdig deponeren van jaarrekeningen was wel relevant voor de beoordeling.
De rechtbank concludeerde dat het besluit van 4 september 2024, waarin het gunningsvoornemen werd gehandhaafd, niet in stand kon blijven vanwege het onjuiste feit dat de jaarrekening van 2021 niet gedeponeerd hoefde te worden. De rechtbank beval intrekking van dit besluit en gaf Waterschap De Dommel de bevoegdheid een nieuw, gemotiveerd besluit te nemen. De vorderingen van [B.V.] werden afgewezen en de proceskosten werden verdeeld.