Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 8 februari 2024 van de enkelvoudige kamer op het verzet van
[oorspronkelijke eiseres](oorspronkelijk eiseres) uit [plaats], opposant,
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Oorspronkelijk eiseres had beroep ingesteld tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Drimmelen over de afwijzing van een Wmo-voorziening. Na het overlijden van de oorspronkelijke eiseres trok haar erfgenaam het beroep in en verzocht om toekenning van proceskostenvergoeding. De rechtbank wees dit verzoek af omdat het bestuursorgaan niet aan het beroep tegemoet was gekomen.
De erfgenaam stelde verzet in tegen deze uitspraak en voerde aan dat bij een inhoudelijke beoordeling de Wmo-aanvraag alsnog toegekend zou worden en dat het college geen zorgvuldig besluit had genomen. Ook stelde hij dat de rechtbank het college had moeten verplichten een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.
De rechtbank oordeelde dat op grond van artikel 8:75a Awb een proceskostenvergoeding bij intrekking van het beroep alleen kan worden toegekend als het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan het beroep tegemoet is gekomen. Dit was niet het geval, zodat het verzet ongegrond werd verklaard en de eerdere uitspraak in stand bleef.
De rechtbank benadrukte dat partijen onderling afspraken kunnen maken over proceskostenvergoeding, maar dat de rechter daartoe geen aanleiding zag. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.