ECLI:NL:RBZWB:2024:8177

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 november 2024
Publicatiedatum
29 november 2024
Zaaknummer
RK 24-016437
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 534 lid 1 SvArt. 9a SrArt. 6 EVRM
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek vergoeding kosten rechtsbijstand na beleidssepot snelheidsovertreding

Verzoeker heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 530 Sv Pro tot vergoeding van kosten rechtsbijstand na een beleidssepot van het Openbaar Ministerie wegens een snelheidsovertreding. De zaak eindigde zonder strafoplegging of maatregel. De rechtbank oordeelt dat verzoeker de kosten aan zichzelf te wijten heeft omdat hij de snelheidsovertreding heeft erkend en de verdenking een redelijke grond had.

De advocaat van verzoeker voerde aan dat het Openbaar Ministerie onterecht gronden van billijkheid ontkende en dat de onschuldpresumptie geschonden werd door het OM-standpunt. De rechtbank volgt dit niet en stelt dat het beleidssepot vanwege ouderdom van het feit geen aanleiding geeft tot vergoeding indien de kosten aan verzoeker zelf te wijten zijn.

Daarom wijst de rechtbank zowel het verzoek tot vergoeding van de kosten rechtsbijstand als het verzoek tot forfaitaire vergoeding voor het indienen en behandelen van het verzoekschrift af. De beslissing is genomen door rechter J.C. Gillesse op 19 november 2024.

Uitkomst: Verzoek tot vergoeding kosten rechtsbijstand na beleidssepot wordt afgewezen wegens het ontbreken van gronden van billijkheid.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 96-129111-21
raadkamernummer : 24-016437
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker],
geboren op [datum] 1998 te [plaats],
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. K. Lans, advocaat te IJmuiden (Kennemerlaan 5, 1972 EG IJmuiden),
hierna te noemen: de verzoeker.

1.De procedure

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
 het op 2 juli 2024 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding
ex artikel 530 Sv Proten laste van de Staat voor een bedrag van:
  • € 943,80, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;
  • € 340,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
  • de kennisgeving sepot van 7 juni 2024;
  • de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie;
  • de overige stukken in het raadkamerdossier.
Op 5 november 2024 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. M. Nieuwenhuis en mr. K. Lans als gemachtigd advocaat van verzoeker gehoord.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
De advocaat van verzoeker heeft onder verwijzing naar een arrest van het Gerechtshof Amsterdam [1] aangevoerd dat de motivering van het Openbaar Ministerie - dat bij vervolging tot een bewezenverklaring zou zijn gekomen en daarom geen gronden van billijkheid aanwezig zijn voor toekenning van een schadevergoeding - in de kern neerkomt op vaststelling van strafrechtelijke aansprakelijkheid zonder dat een rechter een inhoudelijk oordeel over de zaak heeft geveld en dat dit in strijd is met de onschuldpresumptie zoals (ook) neergelegd in artikel 6, tweede lid, van het Europees verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De advocaat meent dan ook dat er in deze zaak wel gronden van billijkheid bestaan om de verzochte vergoeding voor de kosten voor rechtsbijstand toe te kennen. De kosten die zijn gemaakt zijn niet onredelijk en het is niet aan verzoeker te wijten dat er sprake is van een lang tijdsverloop.
De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie en zich op het standpunt gesteld dat het verzoek dient te worden afgewezen wegens het ontbreken van gronden van billijkheid. Verzoeker heeft een snelheidsovertreding begaan en heeft het daarmee aan zichzelf te wijten dat hij met justitie in aanraking is gekomen en de kosten voor rechtsbijstand heeft moeten maken.

2.De beoordeling

De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank zou worden vervolgd.
Op grond van artikel 530 Sv Pro kan een vergoeding voor de kosten van een raadsman worden toegekend, tenzij de raadsman was toegevoegd.
Artikel 534 lid 1 Sv Pro bepaalt dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaatsheeft, als en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij deze beoordeling worden alle omstandigheden in aanmerking genomen.
Het Openbaar Ministerie is op 7 juni 2024 overgegaan tot een beleidssepot vanwege de ouderdom van het feit. In zo’n geval kunnen gronden van billijkheid voor toekenning van een vergoeding ontbreken als verzoeker de kosten aan zichzelf te wijten had.
Ten aanzien van verzoeker is op 16 mei 20921 proces-verbaal opgemaakt wegens verdenking van overschrijding van de maximum snelheid met 51 km/uur. Verzoeker heeft ook erkend - zo begrijpt de rechtbank uit het door de raadsvrouw ingediende verzoek tot teruggave rijbewijs - dat hij een snelheidsovertreding heeft begaan. De verdenking tegen hem had dus een redelijke grond. De rechtbank is van oordeel dat verzoeker daarmee de gemaakte kosten aan zichzelf te wijten heeft en acht om die reden geen gronden van billijkheid aanwezig om de verzochte vergoeding van kosten rechtsbijstand toe te kennen. Het verzoek tot toekennen van een vergoeding zal worden afgewezen. De rechtbank wijst om die reden ook het verzoek tot het toekennen van een forfaitaire vergoeding voor het indienen van het verzoekschrift en de behandeling in raadkamer af.

3.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding af.
Deze beslissing is op 19 november 2024 genomen door mr. J.C. Gillesse, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 19 november 2024.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.