De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 29 november 2024 uitspraak gedaan in een zaak waarin de moeder verzocht om wijziging van het gezamenlijk ouderlijk gezag naar eenhoofdig gezag over hun minderjarige kinderen. De vader verblijft al geruime tijd in een detentiecentrum in de Verenigde Staten vanwege problemen met zijn nationaliteitsaanvraag en mogelijke uitzetting naar Rwanda. Hierdoor is communicatie tussen de ouders ernstig belemmerd en heeft de vader onvoldoende zicht op de leefwereld van de kinderen.
De rechtbank stelde vast dat de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is. Op grond van artikel 1:253n BW kan het gezamenlijk gezag worden beëindigd indien gewijzigde omstandigheden dit noodzakelijk maken. De rechtbank concludeerde dat het langdurige verblijf van de vader in detentie en het ontbreken van contact een onaanvaardbaar risico vormen voor de kinderen bij instandhouding van gezamenlijk gezag.
De vader stemt in met het verzoek en erkent de praktische problemen bij gezamenlijke besluitvorming. De Raad voor de Kinderbescherming kon geen gemotiveerd advies geven, maar gaf ook geen overwegende bezwaren aan. De rechtbank acht wijziging van het gezag in het belang van de kinderen en wijst het verzoek toe, waarbij het gezag voortaan aan de moeder alleen toekomt. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard om directe uitvoering mogelijk te maken.