Uitspraak
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2010 te [geboorteplaats 1] , hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2015 te [geboorteplaats 2] , hierna te noemen [minderjarige 2] ,
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De moeder heeft sinds 2018 geen contact meer met haar minderjarige kinderen en verzocht de rechtbank om een omgangsregeling waarbij de kinderen regelmatig bij haar zouden verblijven. De Raad voor de Kinderbescherming voerde onderzoek uit en concludeerde dat de situatie van de moeder nog niet stabiel is en zij onvoldoende in staat is afspraken na te komen. Tevens gaven de kinderen aan geen contact met hun moeder te willen, waarbij vooral de oudste ernstige bezwaren uitte.
Tijdens de mondelinge behandeling gaf de moeder aan dat zij destijds slecht voorbereid was op het onderzoek en opgenomen is geweest, maar zij kan leven met een afwijzing van haar verzoek. De vader stemde in met het advies van de Raad om het omgangsverzoek af te wijzen en was bereid een informatieregeling na te komen.
De rechtbank oordeelde dat het niet in het belang van de minderjarigen is om een omgangsregeling vast te stellen vanwege de spanning en negatieve effecten op hun ontwikkeling. De rechtbank volgt het advies van de Raad om het recht op omgang niet toe te kennen, maar wijst dit formeel af omdat dit niet is verzocht. Wel wordt een informatieregeling vastgesteld waarbij de vader tweemaal per jaar per e-mail informatie verstrekt over de kinderen. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Verzoek tot omgangsregeling wordt afgewezen; informatieregeling tweemaal per jaar aan vader opgelegd.