De gecertificeerde instelling (GI) verzocht op grond van artikel 1:265e BW om gedeeltelijke gezagsoverdracht over de minderjarige, specifiek voor toestemming voor medische behandelingen tijdens haar uithuisplaatsing. De minderjarige verblijft sinds 2024 in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en vertoont wisselend gedrag. De GI motiveerde het verzoek met het belang van medische beoordeling en behandeling, waaronder medicatiecontrole en diagnostiek, die zonder toestemming van de vader niet mogelijk zouden zijn.
De kinderrechter overwoog dat artikel 1:265e BW een ingrijpende maatregel is en terughoudendheid vereist. Voor minderjarigen van twaalf jaar en ouder geldt dat alleen bij wilsonbekwaamheid het gezag gedeeltelijk kan worden overgedragen aan de GI voor medische toestemming. De rechtbank stelde vast dat de minderjarige een bovengemiddeld IQ heeft en niet overtuigend wilsonbekwaam is. Daarnaast kan een wilsbekwame minderjarige tussen 12 en 16 jaar zelf toestemming geven voor medische behandelingen, waardoor de GI eerst met de minderjarige in gesprek moet gaan.
De kinderrechter vond het verzoek onvoldoende onderbouwd, met name omdat het eerste punt van het verzoek (beoordeling geestestoestand) niet valt onder medische behandeling en het vierde punt (inzetten therapie) te algemeen was geformuleerd. Het verzoek tot gedeeltelijke gezagsoverdracht werd daarom afgewezen. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.