Belanghebbende had een legesaanslag van € 57.360,58 ontvangen voor een omgevingsvergunning voor de bouw van vier loodsen na een brand. De heffingsambtenaar had de bouwkosten geraamd op € 2.811.320, later verminderd tot € 2.248.840. Belanghebbende stelde dat de bouwkosten lager waren, namelijk circa € 625.000, en betwistte de gehanteerde taxatieboekjes.
De rechtbank oordeelde dat de door belanghebbende werkelijk gemaakte kosten niet als heffingsmaatstaf konden dienen, maar dat de taxatieboekjes ook niet doorslaggevend waren omdat de loodsen een mengvorm waren en niet exact overeenkwamen met het type M04. De rechtbank stelde de bouwkosten vast op € 1.043.039, gebaseerd op een gespecificeerde berekening door een bouwkundige.
Daarnaast werd geoordeeld dat de opbrengstlimiet uit artikel 229b Gemeentewet niet was overschreden, omdat belanghebbende de ramingen niet had betwist. Het beroep op het vertrouwensbeginsel mislukte omdat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat een toezegging was gedaan dat geen leges voor de binnenplanse afwijking zouden worden geheven.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar, en stelde de legesaanslag vast op € 28.617,23. Tevens werd de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan belanghebbende.